GRINNL06

El UEA-vikio
Iri al: navigado, serĉi

CHAPITRE 6 TROIS SCÉNARIOS

HOOFDSTUK 6 DRIE SCENARIO’S

6.1 Le principe de comparaison entre scénarios

6.1 Het principe van vergelijking van scenario’s

Ce chapitre est

consacré à la comparaison chiffrée de différents scénarios. La démarche de comparaison, cependant, ne part pas des politiques d’enseignement des langues étrangères. Elle part au contraire des environnements linguistiques envisageables qui sont, dans la logique de la politique linguistique, les véritables objets du choix de politique publique. C’est à partir de ces environnements linguistiques que l’on peut déterminer quelles politiques d’enseignement sont nécessaires afin de contribuer à leur concrétisation. La démarche retenue relève donc de l’analyse de politiques au sens le plus général, et se réfère, au sens le plus général, à la notion d’efficience externe telle qu’elle a été esquissée dans le premier

chapitre.
Dit hoofdstuk is gewijd aan de

becijferde vergelijking van de verschillende scenario’s.  De  vergelijkingswijze vertrekt evenwel niet van de onderwijspolitieken inzake vreemde talen. Ze vertrekt integendeel van de te voorziene taalmilieus, die in de logica van de taalpolitiek de echte voorwerpen zijn voor de keuze van een openbare politiek. Het is uitgaande van deze taalmilieus dat men kan bepalen welke onderwijspolitieken nodig zijn om bij te dragen aan hun concretisering. De weerhouden manier volgt dus uit de analyse van politieken in de meest algemene zin en verwijst in de meest algemene zin naar het begrip doeltreffendheid zoals geschetst in het eerste hoofdstuk.

À chaque

environnement linguistique, on associera donc un scénario, et pour chacun d’entre eux, on tentera d’identifier les coûts, bénéfices et transferts, afin d’en tirer un bilan global. Il est indispensable de souligner que les chiffres utilisés dans ce chapitre ne constituent que des ordres de grandeur. Ils n’ont d’autre fonction que de situer très grossièrement les montants en cause, et ils devront faire l’objet d’une estimation beaucoup plus serrée si un approfondissement de l’analyse développée ici est souhaité. En l’état, cependant, ces ordres de grandeur permettent — à ma connaissance pour la première fois — une comparaison de ces scénarios entre eux

dans une logique d’analyse de politiques.
Aan elk taalmilieu zal een

scenario toegekend worden, en voor elk daarvan zal men proberen de kosten, winsten en overdrachten te identificeren, om er een globale balans te kunnen uit opmaken. Het is nodig te onderstrepen dat de cijfers, die in dit hoofdstuk gebruikt worden, slechts orden van grootte zijn. Ze hebben geen ander doel dan grof benaderend de betrokken bedragen te positioneren en ze zullen het voorwerp van een veel nauwere schatting moeten uitmaken indien verdieping van de hier ontwikkelde analyse gewenst is. In deze toestand laten deze grootteorden nochtans –bij mijn weten voor het eerst– een onderlinge vergelijking van deze scenario’s toe binnen een logica van analyse van politieken.

L’exercice de

comparaison exige un contexte, car ce n’est qu’en fonction de celui-ci que des ordres de grandeur peuvent être définis. On a ici choisi de prendre l’Union européenne comme contexte ; cependant, dans une étape ultérieure de la recherche, l’évaluation pourrait aussi — voire devrait — être effectuée en se référant

à un contexte mondial.
De vergelijkende oefening

vereist een context, want het is maar in functie daarvan dat de grootteorden kunnen bepaald worden. Men heeft hier verkozen de Europese Unie als context te nemen; nochtans zou in een latere fase van het onderzoek  de evaluatie kunnen –of moeten– uitgevoerd worden door te refereren naar een wereldwijde context.

Comme l’indiquait la

section 1.1, cette étude ne parle pas des dimensions culturelles, sociales et politiques sur lesquelles portent la plupart des contributions au débat sur les langues en Europe (cf. section 1.1 et références fournies dans cette section). Il va de soi, cependant, que ces dimensions sont tout à fait pertinentes. Elles peuvent donc être combinées avec les résultats présentés ici pour donner naissance à une

base de décision plus complète et plus précise.
Zoals sectie 1.1 aangaf, gaat

deze studie niet over de culturele, sociale en politieke dimensies, waarover de meeste bijdragen tot het taaldebat in Europa gaan (zie sectie 1.1 en de referenties aangegeven in deze sectie). Het is nochtans vanzelfsprekend dat deze dimensies heel treffend zijn. Ze kunnen dus gecombineerd worden met de hier voorgelegde resultaten om een volledigere en nauwkeurigere

beslissingsbasis te vormen.
La comparaison entre

les différents scénarios repose sur les éléments suivants:
1) la définition d’un environnement linguistique, en référence au contexte européen;
2) l’identification des bénéfices, notamment communicationnels, associés à chaque environnement ;
3) une définition très sommaire des axes de politique d’enseignement des langues étrangères que chaque environnement suppose ;
4) les coûts, pour le système éducatif, associés à ces politiques d’enseignement ;
5) les transferts occasionnés par chaque environnement linguistique, en distinguant, conformément à l’analyse du chapitre précédent: (i) les marchés privilégiés ; (ii) l’économie d’effort dans la communication ; (iii) l’économie d’effort dans l’enseignement des langues étrangères ; (iv) les rendements de l’économie réalisée sur cet enseignement. En revanche, il n’existe pas, à mon avis, de moyen d’évaluer, même grossièrement, l’effet de légitimation (donc la position indue de supériorité dans les situations de négociation et de conflit) qui, selon les environnements linguistiques, peut échoir aux locuteurs de la ou des langues privilégiées. En attendant qu’une solution puisse être trouvée à ce problème délicat, l’effet de légitimation (appelé ailleurs « effet rhétorique »

cf. Grin,

2004a) est supposé inclus dans les dimensions sociales et culturelles signalées ci-dessus. Il doit néanmoins conserver une importance cruciale dans toute

évaluation.
De vergelijking tussen de

verschillende scenario’s berust op de volgende elementen:
de bepaling van een taalmilieu, refererend naar de Europese context;
de identificatie van de winsten, met name communicatieve, verbonden aan elk milieu;
een sterk vereenvoudigde bepaling van de assen van een onderwijspolitiek inzake vreemde talen, die elk van de milieus veronderstelt;
de kosten voor het opleidingssysteem, verbonden met deze onderwijspolitieken;
de overdrachten veroorzaakt door elk taalmilieu, onderscheid makend, volgens de analyse van het vorige hoofdstuk, tussen: (i)  de geprivilegieerde markten; (ii) de inspanningseconomie in de communicatie; (iii) de economische rendementen gerealiseerd op dit onderwijs. Omgekeerd bestaat er volgens mij geen middel om, zelfs grof, het legitimatie-effect (dus de onbillijke superioriteitssituatie in situaties van onderhandeling en conflict) in te schatten, dat naargelang de taalmilieus, kan ten deel vallen aan de sprekers van een of meer geprivilegieerde talen. In afwachting dat een oplossing kan gevonden worden voor dit delicate probleem, wordt het legitimatie-effect (elders genoemd “retorische effect”; zie Grin, 2004a) verondersteld inbegrepen te zijn in de hoger vermelde sociale en culturele dimensies. Het moet niettemin een cruciaal belang behouden

bij elke evaluatie.
En l’état, ce sont

donc huit types d’information de base qu’il convient d’associer à chaque scénario. Certaines d’entre elles méritent ici un commentaire, en préalable à

l’estimation proprement dite.
Tot zover zijn er dus acht types

basisinformatie die moeten toegekend worden aan elk scenario. Sommigen ervan verdienen hier toelichting,

voorafgaand aan de eigenlijke schatting.

6.2 Les environnements linguistiques

6.2 De taalmilieus

Nous retiendrons

dans l’examen trois environnements linguistiques auxquels seront associés trois scénarios de base: le « tout-à-l’anglais », le « plurilinguisme » et « l’espéranto ». Rien n’interdit, dans un deuxième temps, d’affiner chacun de ces

scénarios et d’envisager de les combiner.
We zullen in het onderzoek drie

taalmilieus weerhouden, waaraan drie basisscenario’s zullen toegekend worden: het “alles in ’t Engels”, het “meertalige” en “Esperanto” scenario. Niets belet in een tweede fase elk van die scenario’s te verfijnen en combinaties ervan te overwegen.

Le «

tout-à-l’anglais » correspond à ce que les modèles de Pool (1996) et Grin (1994a) nomment le modèle « monarchique » (cf. Annexe A2): une langue s’impose comme seule langue officielle et de travail de l’Union européenne ; c’est la langue de la communication internationale, sur les plans commercial, scientifique et culturel ; et c’est aussi la langue vers laquelle gravitent les acteurs sociaux dans l’interaction privée avec des personnes ayant une autre langue maternelle qu’eux. C’est, en gros, le modèle prédit par van Parijs, De Swaan, ou Abrams et Strogatz, dont les analyses ont été présentées dans le chapitre précédent. C’est en outre celui que recommandent explicitement des auteurs comme van Parijs et, implicitement, les assez nombreux acteurs scientifiques et politiques, qui parlent d’un plurilinguisme destiné à cadrer, contenir ou compléter l’anglais: mais dans la mesure où ils ne prévoient pas de garde-fous pour contrebalancer la logique conjointe de l’utilisabilité et du maximin, leur recommandations reviennent, à long terme, au « tout-àl’anglais

».
Het “alles in ’t Engels” komt

overeen met wat de modellen van Pool (1996) en Grin (1994a) het “monarchische” model noemen (zie Bijlage A2): een taal dringt zich op als enige officiële en werktaal van de Europese Unie; het is de internationale communicatietaal op vlak van handel, wetenschap en cultuur; en het is ook de taal waar de sociale en culturele actoren naar graviteren in de private interactie tussen personen met een andere moedertaal dan zijzelf. Het is, grof gezegd, het model voorspeld door van Parijs, De Swaan, of Abrams en Strogatz, waarvan de analyses voorgesteld werden in het vorige hoofdstuk. Het is bovendien dat, wat auteurs zoals expliciet van Parijs en impliciet de vrij vele wetenschappelijke en politieke actoren aanbevelen, die het hebben over een meertaligheid, bestemd om het Engels te omkaderen, te bevatten of aan te vullen: maar voor zover ze geen vangrails voorzien om de bijpassende logica van onstabiliteit en maximalisatie van de minima op te vangen, komen hun aanbevelingen op lange termijn neer op

“alles in ’t Engels”.
Le « plurilinguisme

» est un régime linguistique qui suppose que la communication internationale est ainsi organisée qu’elle se déroule effectivement dans plusieurs langues.53 Ce n’est pas qu’au niveau des instances de l’Union européenne qu’il doit être caractérisé (auquel cas il pourrait s’agir du modèle « oligarchique » ou « panarchique », éventuellement « technocratique » ou de « triple relais » chez Pool (1996) ou Grin (1994a) ; cf. Annexe A2), mais aussi au niveau de la communication quotidienne entre Européens. Comme on l’a vu à la section 5.3, la dynamique de l’utilisabilité et du maximin est tellement forte qu’un fonctionnement plurilingue n’est envisageable que sous l’hypothèse de mesures réglementaires d’accompagnement, dont quelques unes sont esquissées dans la section 7.2. Je n’entrerai pas davantage ici dans la définition de telles mesures, mais il importe de souligner que c’est en raison même de celles-ci que l’environnement « plurilingue » dont il est question ici se distingue du « plurilinguisme » ou du « multilinguisme » constamment invoqués par l’officialité européenne. Il se démarque aussi du plurilinguisme sans garde-fous que recommandent de nombreux auteurs, sans vouloir voir qu’en l’absence de tels garde-fous, il est fondamentalement instable et ne peut qu’être supplanté par le « tout-à-l’anglais », en résultat de la dynamique conjointe de l’utilisabilité et du

maximin.
De “meertaligheid” is een

taalregime dat veronderstelt dat de internationale communicatie zodanig georganiseerd is, dat ze zich werkelijk afspeelt in meerdere talen.53 Het is niet alleen op het niveau van de instanties van de Europese Unie dat het moet gekarakteriseerd worden (in welk geval het zou kunnen gaan over het “oligarchische” of “panarchische”, eventueel “technocratische” of “drievoudig relais” model bij Pool (1996) of Grin (1994a); zie Bijlage A2), maar ook op het niveau van de dagelijkse communicatie onder Europeanen. Zoals we gezien hebben in sectie 5.3, is de dynamica van de bruikbaarheid en van de maximalisatie van de minima zo sterk dat een meertalige werking slechts te overwegen valt in de veronderstelling van bijgaande begeleidende reglementaire maatregelen, waarvan er enkele geschetst werden in sectie 7.2. Ik zal hier niet verder ingaan op de bepaling van die maatregelen, maar het is van belang te onderstrepen dat het omwille daarvan is dat het milieu “meertaligheid” waarvan hier sprake is, zich onderscheidt van de “meertaligheid” of van de “veeltaligheid” die gedurig ingeroepen wordt door de Europese officiëlen. Het onderscheidt zich ook van het scenario meertaligheid zonder vangrails, dat veel auteurs aanbevelen, zonder te willen zien, dat bij ontbreken van dergelijke vangrails, het fundamenteel onstabiel is en dus zal verdrongen worden door  “alles in ’t Engels”, ten gevolge van de bijhorende dynamica van de bruikbaarheid en de maximalisatie van

de minima.
Le plurilinguisme

dont il est question ici vise à être stable. Il faut souligner que le plurilinguisme auquel renvoie le scénario 2 ne correspond pas nécessairement aux propositions (foncièrement « oligarchiques ») défendues par Ginsburgh et Weber (2003) ou Fidrmuc et Ginsburgh (2004). En effet, leur analyse, qui ne porte que sur les langues de travail de l’Union européenne, ne se pose guère la question de l’environnement linguistique, et ne constitue donc pas une approche complète en termes d’évaluation de politiques. Par contre, il faut aussi souligner que s’il doit offrir certaines garanties en termes d’intercommunication sans pour autant supposer l’apprentissage par tous d’un nombre de langues étrangères extrêmement élevé, la mise en oeuvre pratique du scénario « plurilinguisme » suppose que certaines langues soient mises au bénéfice d’un statut préférentiel. Ceci rapproche le plurilinguisme pratique (par opposition au plurilinguisme théorique) d’un système oligarchique. Étant donné que la mise en oeuvre pratique de ce scénario peut se réaliser de très nombreuses façons différentes (selon les hypothèses retenues sur le nombre de langues bénéficiant de ce statut particulier et sur le nombre de langues étrangères que les citoyens européens seront supposer apprendre), nous retenons, dans cette étude, une réalisation particulière du plurilinguisme qui privilégie trois langues sur 20 (ou sur 21 ; voir note n° 54) ; on trouvera, dans les paragraphes qui suivent, davantage de détails sur la teneur exacte du plurilinguisme pour lequel les

comparaisons sont effectuées.
De meertaligheid waarvan hier

sprake is mikt op stabiliteit. Er moet onderlijnd worden dat de veeltaligheid, waar scenario 2 naar verwijst, niet noodzakelijk overeenkomt met de voorstellen (in de grond “oligarchisch”), verdedigd door Ginsburgh en Weber (2003) of Fidrmuc en Ginsburgh (2004). In feite stelt hun analyse, die enkel gaat over de werktalen van de Europese Unie, zich nauwelijks de vraag over het taalmilieu en vormt ze dus geen volledige benadering in termen van evaluatie van politieken. Integendeel moet ook onderlijnd worden dat, als het zekere garanties moet bieden in termen van intercommunicatie zonder daarom het leren door iedereen van een extreem hoog aantal talen te veronderstellen, de praktische uitwerking van het scenario “meertaligheid” veronderstelt dat sommige talen in het voordeel van een voorkeursregime gesteld worden. Dit benadert de praktische meertaligheid (in tegenstelling met de theoretische veeltaligheid) van een oligarchisch systeem. Gegeven zijnde dat de praktische invoering van dit scenario kan gerealiseerd worden op veel verschillende manieren (volgens de weerhouden hypothesen over het aantal talen, dat van dit bijzondere statuut geniet en het aantal vreemde talen, dat de Europese burgers zullen verondersteld worden te leren), weerhouden wij in deze studie een bijzondere realisatie van de meertaligheid, die drie talen van de 20 (of 21; zie nota nr. 54) bevoordeelt; in de volgende paragrafen zal men meer details vinden over de juiste inhoud van de veeltaligheid, waarvoor de vergelijkingen uitgevoerd werden.

La solution «

espéranto » correspond au régime « synarchique » (cf. Annexe A2). On pourrait penser, à première vue, qu’il ne s’agit que de remplacer l’anglais par l’espéranto, et qu’il s’agit d’un « tout-à-l’espéranto » plutôt que d’un « tout-àl’anglais ». Malgré cette ressemblance de surface, les différences entre les deux

environnements linguistiques sont de taille. 
De oplossing “Esperanto”

beantwoordt aan het “synarchische” regime (zie Bijlage A2). Men zou op het eerste zicht kunnen denken, dat het alleen maar gaat over de vervanging van het Engels door het Esperanto, en dat het dan gaat over een “alles in Esperanto” eerder dan “alles in ’t Engels”. Spijts deze oppervlakkige gelijkenis zijn de verschillen tussen de twee milieus enorm.

Premièrement, comme on l’a

déjà relevé dans la section 5.4, l’usage de l’espéranto fait disparaître d’un seul coup tous les transferts inéquitables auxquels donne lieu le « tout-à-l’anglais » ; cela s’applique également à « l’effet de légitimation » ou « effet rhétorique » que je renonce ici à quantifier ; l’importance symbolique de cet effet, répétons-le, demeure toutefois

majeure. Nous aurons l’occasion d’y revenir dans la section suivante.
Ten eerste, zoals we het reeds

onthulden in sectie 5.4 doet het gebruik van Esperanto op slag alle onbillijke overdrachten verdwijnen, waartoe het “alles in ’t Engels” aanleiding geeft; dat is ook van toepassing op het “legitimatie-effect” of “retorisch effect”, waarvan ik hier aan de kwantificering verzaak; het symbolische belang van dit effect blijft evenwel gewichtig, we herhalen het. We zullen de gelegenheid krijgen

daarop terug te komen in de volgende sectie.
Deuxièmement,

l’apprentissage de l’espéranto est considérablement plus rapide que celui de toute autre langue et, à des degrés divers, cette supériorité se manifeste indépendamment de la langue maternelle de l’apprenant. Elle est peut-être plus évidente pour les personnes qui ont pour langue maternelle une langue latine, mais elle existe aussi pour ceux dont la langue maternelle est germanique ou slave, voire non indo-européenne, malgré un vocabulaire d’origine essentiellement indoeuropéenne (Piron, 1994 ; Flochon, 2000). Troisièmement, comme l’espéranto n’est la langue de personne et, de ce fait, aisément langue de tout le monde (Mullarney, 1999), sa diffusion est moins menaçante pour les actuelles langues de l’Europe que

ne l’est la diffusion de l’anglais.
Ten tweede verloopt het leren

van Esperanto aanzienlijk veel sneller dan voor eender welke andere taal en, in verschillende mate, blijkt deze superioriteit onafhankelijk van de moedertaal van de leerling. Ze is misschien vanzelfsprekender voor de personen die een Latijnse taal als moedertaal hebben, maar ze bestaat evengoed voor hen, wier moedertaal Germaans of Slavisch is, zelfs niet Indo-europees, spijts een vooral Indo-europese woordenschat (Piron, 1994; Flochon, 2000). Ten derde, omdat Esperanto de taal is van niemand en daardoor gemakkelijk de taal van iedereen (Mullarney, 1999), is zijn verspreiding minder bedreigend voor de huidige talen van Europa, dan de verspreiding van het Engels is.

6.3 Les bénéfices

6.3 De voordelen

Comme on l’a

constaté dans le chapitre 2, les bénéfices associés à différents environnements linguistiques sont tellement protéiformes qu’il serait vain de vouloir les saisir intégralement ; en même temps, il est indispensable qu’ils ne se limitent pas à la simple communication. Cela étant, la possibilité pour tout Européen de communiquer avec tous les autres est sans doute le plus fréquemment cité des bénéfices recherchés, et nous mettrons l’accent sur celui-ci avant d’élargir le champ. Le montant des bénéfices communicationnels est évidemment identique pour les scénarios 1 et 3, dans lesquels l’intercompréhension est réalisée en anglais et en espéranto respectivement ; la situation est plus complexe dans le cas du scénario 2, et le plurilinguisme qu’il suppose doit être spécifié. En effet, si tout Européen apprend une langue étrangère, sans qu’il y ait convergence vers une même langue, la communication directe entre deux personnes tirées au hasard ne peut être garantie. Elle ne peut l’être que si chacun apprend un très grand nombre de langues. Plus précisément, si l’on veut être certain que deux Européens de langue maternelle différente pris au hasard puissent toujours communiquer sans interprète, le nombre de langues que chacun doit apprendre (si l’on admet que chacun consent le même effort) est de dix. 54 Dans un environnement à N langues, ce chiffre vaut N/2 si N est pair et (N-1)/2 si N est impair. Dans ce dernier cas, les deux interlocuteurs auront au moins une langue en commun, mais dans le cas où N est pair, ils auront

nécessairement deux langues en commun.
Zoals men vastgesteld heeft in

hoofdstuk 2, zijn de voordelen verbonden aan verschillende taalmilieus zo veelvormig, dat het ijdel zou zijn ze integraal te willen vatten; tegelijk is het nodig in te zien, dat ze zich niet beperken tot de communicatie alleen. De mogelijkheid voor elke Europeaan om te communiceren met alle anderen is ongetwijfeld het vaakst vermelde van de ondergezochte voordelen, en we zullen er de nadruk op leggen vooraleer het terrein verder open te trekken. Het bedrag van de communicatievoordelen is vanzelfsprekend identiek voor de scenario’s 1 en 3, in dewelke de onderlinge verstaanbaarheid in het Engels, respectievelijk in Esperanto gerealiseerd wordt; de toestand is ingewikkelder in het geval van scenario 2, en de veeltaligheid die het veronderstelt moet gespecificeerd worden. In feite, als iedere Europeaan een vreemde taal leert, zonder dat er convergentie is naar eenzelfde taal, kan de rechtstreekse communicatie tussen twee willekeurig gekozen personen niet gegarandeerd worden. Ze kan dat alleen maar, als iedereen een zeer groot aantal talen leert. Meer bepaald, als men er wil zeker van zijn dat twee willekeurig genomen  Europeanen met verschillende moedertalen altijd met elkaar moeten kunnen communiceren zonder tolk, is het aantal talen dat iedereen moet leren, tien (aangenomen dat iedereen er in toestemt dezelfde inspanning te leveren). 54  In een milieu met N talen is dit getal N/2 als N even is, en (N-1)/2 als N oneven is. In dit laatste geval zullen de twee gesprekspartners tenminste één taal gemeen hebben, maar ingeval N even is, zullen ze noodzakelijkerwijze twee talen gemeen hebben.

Or la garantie que

tout groupe de deux personnes dispose toujours d’une langue en commun ne constitue pas un acquis suffisant, et ne permet pas le type d’intercompréhension qui nous préoccupe ici: en effet, il s’agit plutôt de voir comment des groupes plus nombreux (voire l’intégralité des résidents des États membres) puissent communiquer entre eux, que ce soit dans l’interaction orale ou dans le recours à certaines sources écrites. C’est cette version exigeante de la

communication que nous appellerons ici l’intercompréhension.
Welnu, de garantie dat elke

groep van twee personen altijd beschikt over een gemeenschappelijke taal is geen voldoende voorwaarde en laat niet het type onderlinge verstaanbaarheid toe, dat ons hier bezig houdt: in feite gaat het er eerder om, te zien hoe talrijkere groepen (zelfs de totaliteit van de inwoners van de lidstaten) met elkaar zouden kunnen communiceren, hetzij in de mondelinge uitwisselingen, hetzij bij het gebruik van bepaalde geschreven bronnen. Het is deze dwingende versie van de communicatie, die we hier de onderlinge

verstaanbaarheid zullen noemen.
De fait, le nombre

de langues qu’il faut apprendre pour garantir l’intercompréhension augmente avec la taille du groupe (en termes du nombre de langues maternelles différentes qui y sont représentées), tant que l’on n’introduit pas une hypothèse supplémentaire sur une éventuelle coordination entre individus quant au choix des langues étrangères qu’ils apprennent. Ainsi, dans un environnement à N langues pour une population totale de M individus, le nombre de langues que tout participant doit savoir (langue maternelle comprise) pour que tout groupe de Z participants tirés au hasard (Z=1,...., M) ait au moins une langue en commun est égal à:
 [(Z-1)/Z] ∗N+1 ∀ Z < N+1
arrondi à l’unité inférieure. Pour tout Z ≥(N+1), on en restera à N langues, car il n’y aurait évidemment pas de raison communicationnelle d’en apprendre davantage. Dans une Europe dont les États membres représentent dorénavant 21 langues [55], la communication multilingue ne peut donc être laissée au pur hasard, et il convient de préciser ici ce que le scénario du plurilinguisme recouvre afin qu’il puisse être

comparé aux deux autres.
Het is zo, dat het aantal talen

dat men moet leren om de onderlinge verstaanbaarheid te garanderen, toeneemt met de grootte van de groep (in termen van het aantal verschillende moedertalen dat er in vertegenwoordigd wordt), zolang men geen bijkomende veronderstelling inbrengt over een eventuele coördinatie onder individuen betreffende de keuze van de vreemde talen die ze leren. Zo is, in een omgeving met N talen voor een totaal aantal van M individuen, het aantal talen dat elke deelnemer moet kennen (moedertaal niet inbegrepen), opdat elke groep van Z willekeurig gekozen deelnemers (Z=1,...., M) tenminste één gemeenschappelijke taal zouden hebben, gelijk aan: [(Z-1)/Z] ∗N+1 ∀ Z < N+1 afgerond naar de lagere eenheid. Voor elke Z ≥(N+1), zal men blijven bij N talen, want het zou natuurlijk geen zin hebben er om communicatieve redenen meer te leren. In een Europa waarvan de lidstaten vanaf nu 21 talen vertegenwoordigen [55], kan de meertalige communicatie dus niet overgelaten worden aan het zuivere toeval, en het is nodig hier te preciseren wat het scenario van de meertaligheid omvat, opdat het zou kunnen vergeleken worden met de andere twee.

Pour la poursuite de

cette discussion, on définira donc le « plurilinguisme » comme une forme spécifique du modèle « 1+2 » recommandé aussi bien par l’Union Européenne que par le Conseil de l’Europe: chaque résident européen devrait maîtriser deux langues en plus de sa langue maternelle. Toutefois, ce « modèle » est souvent interprété comme comportant à titre de langues étrangères, une langue de grande communication comme l’anglais et la langue principale d’un État voisin. Dans ce rapport, nous définirons le trio de langues de façon un peu différente. En effet, même s’il ne s’agit que d’assurer l’intercompréhension de tout sous-ensemble de deux résidents tirés au hasard, il faut que le répertoire de tout Européen comporte au moins deux langues choisies dans un sous-ensemble donné de trois langues. Ceci revient donc à accorder, dans la logique esquissée plus haut, un statut privilégié à certaines langues et on admettra ici, pour les besoins de l’exposé, qu’il s’agit de

l’anglais, du français et de l’allemand.
Voor het vervolg van deze

bespreking zal men dus de “meertaligheid” definiëren als een specifieke vorm van het model “1+2”, aanbevolen zowel door de Europese Unie als door de Raad van Europa: elke Europese inwoner zou buiten zijn moedertaal twee talen moeten beheersen. Evenwel wordt dit “model” vaak zo geïnterpreteerd, dat het, voor wat de vreemde talen betreft, een grote communicatietaal zoals het Engels en de hoofdtaal van een buurstaat bevat. In dit rapport zullen we het drietal talen op een enigszins andere manier definiëren. In feite, zelfs als het er niet om gaar de onderlinge verstaanbaarheid van eender welke deelverzameling van twee willekeurig genomen inwoners te verzekeren, is het nodig dat het repertorium van elke Europese inwoner ten minste twee talen omvat, gekozen uit een gegeven deelverzameling van drie talen. Dat komt er dus op neer, in de hoger geschetste logica, aan een zeker aantal talen een geprivilegieerd statuut toe te kennen, en men zal hier, ten gerieve van de uiteenzetting, aannemen dat het gaat over het Engels, het Frans en het Duits.

Le plurilinguisme

n’est donc pas un scénario parfaitement égalitaire: en effet, même si l’on admet que tous les Européens apprennent deux langues étrangères, on pourra distinguer deux situations: pour les personnes de langue maternelle anglaise, française ou allemande, il suffit que l’une des deux langues étrangères soit tirée de ce groupe de trois langues, mais l’autre langue étrangère peut parfaitement être une langue tierce  qu’il s’agisse de l’italien, du japonais ou du gallois. Par contre, pour un résidant de langue maternelle estonienne ou portugaise, les deux langues étrangères doivent provenir de la troïka anglais-français-allemand. Toute autre langue (à nouveau, qu’il s’agisse de l’italien, du japonais ou du gallois) devrait nécessairement être apprise à titre de troisième langue étrangère. Cette asymétrie n’est pas sans conséquences pour la comparaison des scénarios, et nous y

reviendrons dans la suite de ce chapitre.
De veeltaligheid is dus geen

perfect gelijkberechtigd scenario: zelfs als men aanneemt dat alle Europeanen twee vreemde talen leren, zal men onderscheid kunnen maken tussen twee situaties: voor de personen met als moedertaal Engels, Frans of Duits, volstaat het één van de twee vreemde talen te kiezen uit deze groep van drie talen, maar de tweede vreemde taal mag gerust een daarbuiten zijn, of het nu gaat over Italiaans, Japans of Welsh. Integendeel, voor een inwoner met als moedertaal Ests of Portugees moeten de twee vreemde talen verplicht komen uit het drietal Engels-Frans-Duits. Elke andere taal (weer, of het nu gaat over Italiaans, Japans of Welsh) zouden noodzakelijkerwijze moeten geleerd worden als een derde vreemde taal. Deze asymmetrie is niet zonder gevolgen in de vergelijking van de scenario’s en we zullen

er verder in dit hoofdstuk op terug komen.
Cependant, il

importe de noter que même cette restriction n’assure pas l’intercompréhension telle que définie plus haut, (condition nécessaire à ce que l’on puisse affirmer que le plurilinguisme garantit les mêmes bénéfices communicationnels que le « tout-à-l’anglais » ou l’espéranto). En effet, si le plurilinguisme dont il est ici question doit se démarquer réellement de l’hégémonie linguistique, cela suppose que les États membres auront mis sur pied de véritables mesures d’encouragement à l’utilisation de plusieurs langues. Si ces mesures sont inefficaces, on retombe dans le scénario du « tout-à-l’anglais » ; mais si elles sont efficaces, on peut, quasiment par définition, s’attendre à ce que les citoyens européens dont la langue maternelle n’est ni l’anglais, ni le français ni l’allemand apprennent deux de ces langues dans des proportions sensiblement égales. À terme, les Européens (hormis ceux qui sont de langue maternelle anglaise, française ou allemande) se répartiront en trois grands groupes: ceux dont le répertoire linguistique inclut, à titre de langues étrangères, l’anglais et le français (« EF »), le

français et l’allemand (« FD ») et l’anglais et l’allemand (« ED »).
Nochtans is het belangrijk te

noteren, dat zelfs deze beperking de onderlinge verstaanbaarheid niet verzekert, zoals ze hoger werd gedefinieerd, (nodige voorwaarde opdat men zou mogen bevestigen dat de meertaligheid dezelfde communicatieve voordelen garandeert als het “alles in ’t Engels” of “Esperanto”). In feite, als de meertaligheid, waarover het hier gaat, zich werkelijk onderscheidt van de taalhegemonie, veronderstelt dit, dat de lidstaten echte aanmoedigingsmaatregels zullen opgezet hebben voor het gebruik van verschillende talen. Als deze maatregelen ondoeltreffend zijn vervalt men in het scenario “alles in ’t Engels”; maar als ze doeltreffend zijn, mag men er zich, als het ware bij definitie, aan verwachten dat de Europese burgers, wier taal noch het Engels, noch het Frans, noch het Duits is, twee uit die talen zullen leren in ongeveer gelijke verhoudingen. Op termijn zullen de Europeanen (buiten diegenen wier moedertaal Engels, Frans of Duits is) zich verdelen over drie grote groepen: zij, wier taalrepertorium als vreemde talen het Engels en het Frans (“EF”) omvat, het Frans en het Duits (“FD”) en het Engels en het Duits (“ED”).

Quelle

intercompréhension pouvons-nous alors espérer ? Pour simplifier le calcul, on admettra que les francophones, les anglophones et les germanophones apprennent les langues des uns des autres de façon à tendre, grosso modo, vers la même répartition des compétences en trois tiers ; ceci suppose aussi que les francophones, anglophones et germanophones, ayant le choix de leur deuxième langue étrangère, choisissent une langue tierce — qui pourra aussi bien être l’espagnol que le japonais ou le gallois. Nous admettrons aussi que tous les Européens sont trilingues (en application du modèle « 1+2 »), mais pas quadrilingues. Dans un tel cas, si l’on est sûr que toute paire d’Européens tirés au hasard aura nécessairement au moins une langue en commun, on est également certain que dans tout groupe aléatoire comportant deux tiers des Européens plus un, il est impossible qu’il existe une langue connue par tous les membres de ce groupe ; quelle que soit la langue choisie

(anglais, français ou allemand), au moins un participant sera exclu.
Welke onderlinge

verstaanbaarheid mogen we dan verhopen? Om de berekeningen te vereenvoudigen zal men aannemen dat de Franstaligen, de Engelstaligen en de Duitstaligen elkaars taal zullen leren zodat ze, grosso modo, naar dezelfde bekwaamheidsverdeling neigen in drie derden; dat veronderstelt ook dat de Franstaligen, Engelstaligen en Duitstaligen, die de keuze hebben hun tweede vreemde taal te kiezen, een andere taal kiezen – die evengoed het Spaans als het Japans of het Welsh zal kunnen zijn. We zullen ook aannemen dat alle Europeanen drietalig zijn (in toepassing van het model “1+2”), maar niet viertalig. In een dergelijk geval, indien men er zeker van is dat elk paar willekeurig genomen Europeanen noodzakelijkerwijze minstens één taal zal gemeen hebben, is men er tevens zeker van dat in elke willekeurige groep, die twee derden van de Europeanen plus één bevat, het onmogelijk is dat er een taal bestaat, die gekend is door alle leden van deze groep; welke de gekozen taal ook moge zijn (Engels, Frans of Duits), minstens één deelnemer zal uitgesloten worden.

De façon générale

(et sous les hypothèses simplificatrices retenues ici), la probabilité P qu’aucun participant ne soit exclu, dans une population totale de M individus d’où on tire des groupes de taille Z, est donnée par:
<img style="width: 604px; height: 67px;" alt="Grin Ch06 Formulo 1" src="Grin06For01.jpg">
où l’expression n k C , qui définit le nombre de combinaisons sans répétitions de k éléments tirés au hasard parmi n, est égale à ) <img style="width: 95px; height: 60px;" alt="" src="Grin06For02.jpg" align="top">

Algemeen gesproken (en mits alle

vereenvoudigende hier weerhouden hypothesen), wordt  de waarschijnlijkheid P dat geen enkele deelnemer uitgesloten wordt in een totale populatie van M individuen, waaruit men groepen neemt van grootte Z, gegeven door:
<img style="width: 604px; height: 67px;" alt="Grin Ch06 Formulo 1" src="Grin06For01.jpg">
waarin de uitdrukking n k C , die het aantal combinaties bepaalt, zonder herhaling, van k willekeurig gekozen elementen uit n, gelijk aan ) <img style="width: 95px; height: 60px;" alt="" src="Grin06For02.jpg" align="top">

En termes de

probabilités, cette estimation vaut pour des valeurs élevées de M. Mais dès que le terme M est élevé, il n’a plus grande importance: quel que soit l’effectif de la population d’où l’on tire les sous-groupes de personnes appelées à communiquer entre elles, la valeur de cette probabilité décline rapidement avec l’accroissement de Z, c’est-à-dire le nombre de participants à l’échange. Ainsi, la probabilité qu’un simple trio, tiré au hasard parmi 10.000 personnes, ait une langue en commun est de l’ordre de 77,8%, et dès qu’il s’agit d’un groupe de 20 personnes, cette probabilité

tombe à 0,09%.
In termen van waarschijnlijkheid

geldt deze schatting voor hoge waarden van M. Maar zodra de term M hoog is, heeft hij niet veel belang meer: welke de grootte van de populatie ook moge zijn, waaruit men de sub-groepen vormt van personen, geroepen om met elkaar te communiceren, neemt de waarde van deze waarschijnlijkheid snel af met de toename van Z, dat is het aantal deelnemers aan de gesprekken. Zo is de kans dat een eenvoudig drietal, willekeurig genomen uit 10.000 personen, een taal gemeen hebben van de orde van 77,8%, maar zodra het gaat over een

groep van 20 personen valt deze waarschijnlijkheid op 0,09%.
De fait, une réunion

de vingt personnes, même si elles sont tirées d’un sousensemble de la population lui-même défini sur la base d’une probabilité réelle d’interaction, telle qu’elle peut émerger d’un certain contexte professionnel, est monnaie courante, et le modèle « 1+2 » n’y garantit pas

l’intercompréhension.
Dus, een vergadering van twintig

personen, zelfs als die genomen worden uit een deelverzameling van de populatie, die zelf bepaald is op grond van een werkelijke interactiewaarschijnlijkheid, zoals ze kan voorkomen, wat in een zekere professionele context meer gebeurt, en het model “1+2” garandeert daarin geen onderlinge verstaanbaarheid.

Prenons l’exemple

des 32.158 fonctionnaires permanents et temporaires actifs en 2003 dans les cinq institutions européennes (Parlement, Conseil, Commission, Cour de Justice et Cour des Comptes)56. La probabilité que face à un auditoire de 20 fonctionnaires, l’usage d’une des trois langues de la troïka anglais-français-allemand n’exclue aucune de ces 20 personnes est très faible, puisque selon la formule cidessus, elle est, elle aussi, inférieure à 0,1%. En d’autres termes, il est quasiment certain qu’un participant au moins ait un répertoire qui, tout en étant parfaitement conforme au modèle « 1+2 » et qui, en outre, comporte deux des trois langues d’une « troïka » privilégiée, ne comporte pas la langue choisie pour cette réunion.[57] Le plurilinguisme sous la forme d’un modèle « 1+2 » ne fournit donc pas les mêmes garanties que les autres scénarios sur le plan communicationnel. Diverses alternatives sont envisageables, qui rétablissent toutes la garantie d’intercompréhension: premièrement, le passage à un modèle de type « 1+3 », si les trois langues étrangères sont issues de la « troïka » — ce qui, toutefois, suppose un investissement considérable dans l’enseignement des langues étrangères

deuxièmement, la réduction du nombre de langues privilégiées de trois à deux — ce qui serait, selon toute probabilité, politiquement indéfendable ; troisièmement, le passage à un modèle où l’on apprend une langue étrangère de la troïka et où l’on acquiert des compétences réceptives élevées dans les deux autres langues. Dans les limites de ce rapport, nous n’étudierons pas plus avant ces trois alternatives, tout en soulignant que selon l’importance accordée à l’objectif d’intercompréhension, il

peut être indispensable de les étudier de plus près.
Laat ons het voorbeeld nemen van

de 32.158 permanente en tijdelijke ambtenaren in 2003 actief in de vijf Europese instellingen (Parlement, Raad, Commissie, Gerechtshof en Rekenhof)56. De waarschijnlijkheid dat, voor een vergadering van 20 ambtenaren, het gebruik van één der drie talen van het drietal Engels-Frans-Duits, niemand van deze 20 personen uitsluit is zeer klein, omdat ze, volgens bovenstaande formule, kleiner is dan 0,1%. In andere woorden, het is praktisch zeker dat minstens één deelnemer een repertorium heeft dat, hoewel het perfect overeenkomt met het model “1+2” en die bovendien twee van de drie talen uit het geprivilegieerde drietal omvat, niet de taal bevat, die gekozen werd voor deze vergadering.[57] De meertaligheid onder de vorm van een model “1+2” levert dus niet dezelfde garanties dan de andere scenario’s op het communicatieve vlak. Verschillende alternatieven zijn denkbaar, die allemaal de onderlinge verstaanbaarheid herstellen: ten eerste de overgang naar een model van het type “1+3”, als de drie vreemde talen komen uit het “drietal” – wat in ieder geval een belangrijke investering veronderstelt in het onderwijs van vreemde talen; ten tweede, de reductie van het aantal geprivilegieerde talen van drie naar twee – wat hoogstwaarschijnlijk politiek niet verdedigbaar is; ten derde, overgang naar een model waar men een vreemde taal uit het drietal leert en daarbij hoge begrijpende bekwaamheden verwerft in de twee andere talen. Binnen de grenzen van dit rapport zullen we niet dieper ingaan op deze drie alternatieven, terwijl we wel onderstrepen dat, volgens het belang dat men hecht aan de doelstelling van onderlinge verstaanbaarheid, het kan onmisbaar zijn ze nader te

bestuderen..
Cependant, même avec

ses limites, on peut considérer que les bénéfices effectifs du plurilinguisme dans sa forme « 1+2 » sont plus élevés que ne le suggèrent les exemples chiffrés fournis plus haut. En effet, la réalité des rencontres et des échanges n’est pas purement aléatoire ; la proximité géographique et les liens historiques et commerciaux sont autant de facteurs qui rendent certaines rencontres plus fréquentes que d’autres. Dès lors, même si l’intercompréhension n’est pas systématiquement garantie, le modèle « 1+2 » contribue certainement à ce qu’elle soit suffisamment fréquente à l’intérieur de certains contextes (géographiques, professionnels ou autres). Si l’absence de communication directe est plus probable pour des sous-groupes eux-mêmes improbables, cela ne suffirait pas à invalider une telle version du scénario plurilingue, d’autant plus que l’on peut également recourir à la traduction et à l’interprétation. La traduction et l’interprétation conservent donc, dans ce scénario, une importance primordiale, car elles viennent combler les impossibilités de communication qu’on vient de mentionner, et surtout garantir à tous

les citoyens l’accès à certains textes.
Evenwel, zelfs met zijn

beperkingen, kan men beschouwen dat de werkelijke winsten van de meertaligheid onder zijn vorm “1+2” groter zijn dan wat de hoger becijferde voorbeelden laten vermoeden. In feite is de werkelijkheid van de ontmoetingen en uitwisselingen niet zuiver toevallig; de geografische nabijheid en de historische en commerciële bindingen zijn factoren, die sommige ontmoetingen frequenter maken dan andere. Dus, zelfs als de onderlinge verstaanbaarheid niet systematisch gegarandeerd wordt, draagt het model “1+2” er zeker toe bij, dat ze voldoende frequent zou zijn binnen bepaalde contexten (geografische, professionele of andere). Als het ontbreken van rechtstreekse communicatie waarschijnlijker is voor sub-groepen die zelf onwaarschijnlijk zijn, volstaat dat niet om zulke versie van het meertalige scenario ongeldig te maken, des te meer dat men ook nog zijn toevlucht kan nemen tot vertaling en vertolking. De vertaling en vertolking bewaren dus in dit scenario een primordiaal belang, omdat ze komen verhelpen aan de onmogelijkheden tot communicatie, die men komt te vermelden, en vooral aan alle burgers de toegang garanderen tot

bepaalde teksten
Dès lors, compte

tenu des avantages propres au plurilinguisme (cf. paragraphe ciaprès) et de la possibilité de continuer à fournir des services de traduction et d’interprétation entre les trois langues de la troïka, cette déficience par rapport à la communication directe en toutes circonstances n’est pas majeure. C’est pour cette raison que nous poursuivons le raisonnement en admettant que les bénéfices nets des trois scénarios sont comparables, afin de mettre l’accent sur les différences de

coûts.
Dus, rekening houdende met de

voordelen eigen aan meertaligheid (zie volgende paragraaf) en de mogelijkheid verder vertaal- en vertolkingdiensten te leveren tussen de drie talen uit het drietal, is dit gemis ten overstaan van de rechtstreekse communicatie in alle omstandigheden niet van hoofdbelang. Het is daarom dat wij de redenering verder zetten, aannemend dat de netto voordelen van de drie scenario’s vergelijkbaar zijn, ten einde het accent te plaatsen op de verschillen in kosten.

En effet, un autre

point qu’il importe de souligner ici est que ce qui différencie les scénarios du « tout-à-l’anglais », du plurilinguisme ou de l’espéranto, c’est que selon celui que l’on retient, on ne uit évidemment pas la même Europe. Le scénario plurilingue est celui qui, a priori, reflète le mieux l’idéal de préservation de la diversité linguistique européenne, puisqu’il garantit (moyennant quelques aménagements sur lesquels nous revenons plus loin) une utilisation constante de plusieurs langues et une confrontation plus quotidienne de chacun avec la pluralité des langues et des cultures ; nul, même né anglophone, francophone ou germanophone, ne peut se permettre d’y rester unilingue. Le scénario « espéranto » vient à cet égard en second, car du fait même de sa non-association avec telle ou telle sphère linguistique et culturelle, il laisse plus de champ libre à l’expression de toutes, et cela, sur un pied d’égalité. Le « tout-à-l’anglais » arriverait au troisième rang, car sa diffusion n’est pas sans exercer de fortes pressions sur les autres langues, au détriment, peut-être, de leur créativité scientifique (Durand, 2001) ou

intellectuelle.58
In feite is er een ander punt

dat hier nodig moet onderstreept worden: hetgeen de scenario’s “alles in ’t Engels”, de meertaligheid of Esperanto onderscheidt, is, dat naargelang het scenario dat men volgt, men vanzelfsprekend niet het zelfde Europa bouwt. Het meertalige scenario is datgene, dat a-priori het beste het ideaal van de bewaring van de Europese taaldiversiteit weergeeft, omdat het (mits enkele aanpassingen, waarop we later terugkomen) een gedurig gebruik van meerdere talen garandeert en een meer alledaagse confrontatie van iedereen met de meerderheid van talen en culturen; niemand, zelfs geen geboren Engelstalige, Franstalige of Duitstalige, kan het zich veroorloven daarin eentalig te blijven. Het scenario “Esperanto” komt in dat opzicht op de tweede plaats, want door het feit zelf van zijn niet-gebondenheid met deze of gene taal- of cultuursfeer laat het meer vrij veld aan de uitdrukking van alle sferen, en dat op voet van gelijkheid. Het “alles in ’t Engels” zou op de derde rang komen, want zijn verbreiding zou de andere talen sterk onder druk zetten, mogelijks ten koste van hun wetenschappelijke (Durand, 2001) of intellectuele creativiteit.58

Toutes ces

considérations relèvent toutefois, comme on l’a vu plus haut, des dimensions non-marchandes des environnements linguistiques. Même si l’on a pu, dans le chapitre 2, esquisser une démarche permettant d’approcher ces valeurs, l’absence totale de données nous interdit de chercher à les incorporer dans notre

identification des bénéfices de différents scénarios.
Al deze beschouwingen hangen

nochtans af, zoals we hoger gezien hebben, van de niet-handels- dimensies van de taalmilieus. Zelfs als men in hoofdstuk 2 een poging kon schetsen, die toelaat deze waarden te benaderen, belet de totale afwezigheid van gegevens ons, te proberen ze in kaart te brengen in onze identificatie van de voordelen van verschillende scenario’s.

6.4 Les politiques d’enseignement et leurs coûts

6.4 De onderwijspolitieken en hun kostenbb

Pour les trois

scénarios considérés, on supposera que la France enseigne deux langues étrangères: l’anglais et une langue K dans le premier ; une langue J et une langue K dans le second (la première de ces deux langues devant être l’anglais ou l’allemand, si, comme on en fait ici l’hypothèse, le plurilinguisme favorise une troïka anglais-français-allemand) ; l’espéranto et une langue K dans le troisième (la langue K pouvant être l’anglais, mais sans que cette langue fasse l’objet d’un encouragement particulier par rapport à toute autre langue offerte par le système éducatif). Afin de simplifier l’examen, on supposera que la première et la deuxième langue étrangère sont inscrites aux mêmes programmes d’études et pour les mêmes années du cursus scolaire qu’actuellement, et qu’elles bénéficient des mêmes dotations horaires qu’à présent. Non moins important, les objectifs pédagogiques assignés à l’enseignement de la première et de la deuxième langue étrangère seront supposés relativement similaires dans les différents scénarios, et grosso modo identiques à ceux qu’ils sont actuellement. Rien n’interdit, dans un approfondissement ultérieur de l’analyse, de remettre en cause cette hypothèse. On pourra ainsi viser des objectifs plus exigeants au moins pour la première langue étrangère et, dans la mesure où une telle réforme exigerait un accroissement de la dotation en ressources, adapter en conséquence l’estimation correspondante des

coûts.
Voor de drie beschouwde

scenario’s zal men veronderstellen dat Frankrijk twee vreemde talen onderwijst: Engels en een taal K in het eerste; een taal J en een taal K in het tweede (de eerste van deze twee talen is verplicht Engels of Duits, indien, zoals men hier de hypothese gemaakt heeft, de meertaligheid een drietal Engels-Fans-Duits bevoordeligt); Esperanto en een taal K in het derde (de taal K kan Engels zijn, maar zonder dat deze taal het voorwerp uitmaakt van een bijzondere aanmoediging ten overstaan van eender welke andere taal, aangeboden door het opleidingssysteem). Teneinde het onderzoek te vereenvoudigen zal men veronderstellen dat de eerste en de tweede vreemde taal ingeschreven zijn op dezelfde studieprogramma’s en voor dezelfde leerjaren als tegenwoordig, en dat ze genieten van dezelfde uurtoelagen als nu. Niet minder belangrijk, de pedagogische doelstellingen, toegewezen aan het onderwijs van de eerste en tweede vreemde taal zullen relatief gelijkaardig verondersteld worden in de verschillende scenario’s en grosso modo identiek aan wat ze nu zijn. Niets belet bij een latere verdieping van de analyse, deze hypothese opnieuw in vraag te stellen. Men zal zo op de meest dwingende doelstellingen kunnen mikken, tenminste voor de eerste vreemde taal en, in de mate dat een dergelijke hervorming een toename van de toelagen aan geldmiddelen zou eisen, er de overeenkomstige kostenschatting voor aanpassen.

À ma connaissance,

il n’existe pas de comptabilité scolaire par matière en France, non plus, du reste, que dans d’autres pays. Dans le cas de la Suisse, l’évaluation des rendements sociaux de l’enseignement des langues avait donc nécessité la construction d’une série d’estimations. Un tel exercice est d’autant plus complexe que le pays compte quatre langues officielles et nationales, utilisées dans l’instruction publique selon le principe de territorialité. En outre, du fait de sa structure fédérale, la Suisse ne comporte pas moins de 26 systèmes scolaires distincts, avec des programmes différents, y compris en matière d’enseignement des langues. Comme trois cantons sont bilingues et l’un trilingue, ce sont en principe une bonne trentaine de plans d’études différents pour lesquels il faut effectuer de telles estimations (Grin

et Sfreddo, 1997).
Bij mijn weten bestaat er in

Frankrijk geen schoolboekhouding per leerstof, overigens ook niet in de andere landen. In het geval van Zwitserland maakte de evaluatie van de sociale rendementen van het taalonderwijs dus het uitwerken van een reeks schattingen noodzakelijk. Een dergelijke oefening is des te ingewikkelder, omdat het land vier officiële en nationale talen telt, gebruikt in het openbaar onderwijs volgens het territorialiteitsprincipe. Bovendien omvat Zwitserland, door het feit van zijn federale structuur, niet minder dan 26 onderscheiden schoolsystemen, met verschillende programma’s, ook inzake taalonderwijs. Daar drie kantons tweetalig en één drietalig zijn, zijn er in principe ruim dertig verschillende studieplannen voor dewelke men dergelijke schattingen moet uitwerken (Grin en Sfreddo, 1997).

Étant donné le

caractère centralisé du système éducatif français, de telles estimations sont sans doute relativement aisées, mais on se contentera, pour la présente étude, de simples ordres de grandeur, dont la construction est détaillée plus loin, en référence au « transfert » occasionné par l’économie d’effort que peuvent réaliser certains États, en fonction du scénario considéré, dans l’enseignement des langues étrangères. On prendra la France comme point de référence, en vue d’estimer dans quelle mesure le Royaume-Uni en diverge, à partir des chiffres qui s’appliquent à l’Angleterre et au Pays de Galles. En effet, étant donné la structure des systèmes d’enseignement au Royaume-Uni, le point de comparaison ne correspond pas, stricto sensu, au Royaume-Uni en tant qu’État membre. Le principe de base est celui d’une simple règle de trois: on estime la part relative des langues étrangères λ dans la grille horaire pour les différentes années scolaires ou ordres d’enseignement ; on la multiplie par la dépense moyenne par élève DME correspondante ; ce chiffre est ensuite multiplié par l’effectif total d’élèves dans le système EFF, pour obtenir le coût total de l’enseignement des langues étrangères CLEi dans chaque scénario i. En divisant CLE par la population résidente POP, on obtient la dépense totale pour l’enseignement des langues étrangères par habitant,

terme qui est comparable entre pays, pour chaque scénario.
Gezien het gecentraliseerde

karakter van het Franse onderwijssysteem, zijn dergelijke schattingen ongetwijfeld betrekkelijk gemakkelijk, maar men zal zich tevreden stellen, voor de huidige studie, met simpele grootteorden, waarvan de opbouw verder wordt gedetailleerd, met verwijzing naar de “overdracht” veroorzaakt door de inspanningenbesparing, die sommige staten in het onderwijs van vreemde talen kunnen doen naargelang het beschouwde scenario. Men zal Frankrijk als referentiepunt nemen om in te schatten in welke mate het Verenigd Koninkrijk ervan afwijkt, uitgaande van de cijfers, die toepasbaar zijn op Engeland en Wales. In feite, gezien de structuur van de onderwijssystemen in het Verenigd Koninkrijk, beantwoordt het vergelijkingspunt, strikt genomen, niet aan het Verenigd Koninkrijk als lidstaat. Het basisprincipe is dat van een eenvoudige regel van drie: men schat het aandeel met betrekking tot vreemde talen λ in het uurrooster voor de verschillende schooljaren of onderwijsorden; men vermenigvuldigt het met de gemiddelde overeenkomstige uitgave per leerling DME; dit cijfer wordt vervolgens vermenigvuldigd met het totaal effectief leerlingen in het systeem EFF, om de totale kost van het onderwijs in vreemde talen CLEi in elk scenario i te bekomen. Door CLE te delen door het aantal inwoners POP, bekomt men de totale uitgave voor het onderwijs van vreemde talen per inwoner, een term die

vergelijkbaar is tussen landen, voor elk scenario.
Les scénarios 1 et 2

ont donc le même coût, c'est-à-dire que CLE1 = CLE2. Le scénario 3, par contre, présente un coût moindre, puisque l’atteinte d’un certain niveau de compétence en espéranto est nettement plus rapide que pour toute autre langue, et la littérature est à cet égard unanime. Ainsi, Flochon (2000:109) note que « l’Institut de pédagogie cybernétique de Paderborn (Allemagne) a comparé les durées d’apprentissage de plusieurs groupes d’élèves francophones, de niveau baccalauréat, pour atteindre un niveau dit ‘standard’ et comparable dans quatre langues différentes: l’espéranto, l’anglais, l’allemand et l’italien. Les résultats sont les suivants: pour atteindre ce niveau, 2000 heures d’études de l’allemand produisaient un niveau linguistique équivalent à 1500 heures d’étude l’anglais, 1000 heures d’étude de l’italien et… 150 heures d’étude de l’espéranto. Sans

commentaire ».
De scenario’s 1 en 2 hebben dus

dezelfde kost, dat wil zeggen dat CLE1 = CLE2. Het scenario 3, in tegendeel, vertegenwoordigt een lagere kost, daar het bereiken van een bepaald bekwaamheidsniveau in Esperanto duidelijk veel sneller verloopt dan voor gelijk welke andere taal, en de literatuur is op dat gebied unaniem. Zo noteert Flochon (2000:109) dat “Het instituut van cybernetische pedagogie van Paderborn (Duitsland) de leerperiodes vergeleken heeft van meerdere groepen Franstalige leerlingen, van het niveau baccalaureaat, om een zogenaamd ‘standaard’ niveau te bereiken, vergelijkbaar in vier verschillende talen: Esperanto, Engels, Duits en Italiaans. De resultaten zijn de volgende: om dat niveau te bereiken, leverden 2000 uur Duits een taalniveau op dat evenwaardig is aan 1500 uur studie Engels, 1000 uur studie Italiaans en ... 150 uur studie Esperanto. Zonder commentaar”.

D’autres estimations

éparses dans la littérature confirment l’atteinte plus rapide de compétences en langue-cible en espéranto que dans toutes les autres langues avec lesquelles la comparaison était faite (Ministère de l’instruction publique [Italie], 1995) ainsi que les avantages propédeutiques de la langue (Corsetti et La Torre, 1995). Dans ce qui suit, j’ai opté pour la plus grande prudence en admettant un ratio de un à trois. Ainsi, l’investissement nécessaire pour assurer aux élèves français un niveau donné de compétence en espéranto représente un tiers de celui qui est nécessaire

pour les doter d’un niveau similaire dans toute autre langue.59
Andere schattingen verspreid in

de literatuur bevestigen het sneller bereiken van doeltaalbekwaamheden in Esperanto dan in alle andere talen waarmee de vergelijking gemaakt werd (Ministerie van openbaar onderwijs [Italië]; 1995) evenals de propedeutische voordelen van de taal (Corsetti en La Torre, 1995). In hetgeen volgt heb ik gekozen voor de grootste voorzichtigheid door een ratio van 1 tot 3  aan te nemen. Zo vertegenwoordigt een investering, nodig om aan de Franse leerlingen een gegeven bekwaamheidsniveau in Esperanto te verzekeren, een derde van wat nodig is om ze te voorzien van een gelijkaardig niveau in eender welke andere taal.59

L’économie d’effort

du passage à l’espéranto affecterait la première langue étrangère, pour laquelle on consent (dans le système français pris ici comme référence) environ les trois quarts de l’effort total d’enseignement des langues étrangères (cf. Annexe A3). L’application du ratio 1:3 entre l’espéranto et la première langue étrangère apprise actuellement (quelle qu’elle soit) suppose donc que la facture totale de l’enseignement des langues passerait à:
<img style="width: 348px; height: 75px;" alt="" src="Grin06For03.jpg">
ce qui revient à la diviser par deux. Bien entendu, on pourrait aussi retenir une autre approche, et supposer un coût rigoureusement identique aux trois scénarios ; mais alors, le niveau de compétence atteint en espéranto sera nécessairement et strictement supérieur à celui qui est atteint dans d’autres langues, y compris dans la

langue actuellement choisie comme première langue étrangère.[60]
De inspanningenbesparing bij het

overgaan op Esperanto zou invloed hebben op de eerste vreemde taal, waarvoor men (in het Franse systeem dat hier als referentie genomen wordt) ongeveer drie vierden aanneemt van de totale inspanning van het onderwijs van vreemde talen (zie Bijlage A3). De toepassing van de ratio 1:3 tussen Esperanto en de eerste tegenwoordig geleerde vreemde taal (welke dan ook) veronderstelt dus dat de totale factuur van het taalonderwijs zou overgaan naar:
<img style="width: 348px; height: 75px;" alt="" src="Grin06For03.jpg">
wat neerkomt op een deling door twee. Natuurlijk zou men ook een andere benadering kunnen weerhouden en een precies gelijke kost veronderstellen in de drie scenario’s; maar dan zal het bekwaamheidsniveau, bereikt in Esperanto noodzakelijkerwijze en strikt hoger zijn dan wat bereikt werd in andere talen, inbegrepen in de taal, die heden gekozen werd als eerste vreemde taal.[60]

6.5 L’estimation des transferts

6.5 De schatting van de overdrachten

Les marchés privilégiés

L’hégémonie linguistique donne lieu, on l’a dit, à diverses formes de redistribution en faveur des locuteurs de la langue hégémonique ainsi que des États dont c’est la langue majoritaire ou officielle – ou l’une des langues officielles. Ce privilège résulte des effets suivants: les locuteurs de la langue dominante bénéficient d’un avantage pour la vente de divers services (enseignement de la langue concernée ; traduction et interprétation vers celle-ci; édition et révision de textes dans cette langue ; fourniture à l’étranger de matériel pédagogique pour son enseignement).

De geprivilegieerde markten

De taalhegemonie geeft aanleiding, zoals reeds gezegd werd, aan verschillende vormen van herverdeling ten voordele van de sprekers van de hegemonietaal, evenals aan de staten waar die de meerderheidstaal of de of een officiële taal is. Dit privilegie volgt uit de volgende effecten: de sprekers van de dominante taal genieten van een voordeel bij de verkoop van verschillende diensten (onderwijs van de betrokken taal; vertaling en vertolking naar die taal; uitgeven en reviseren van teksten in die taal; levering in het buitenland van pedagogisch

materiaal voor het onderwijs ervan).
Il n’existe, à ma

connaissance, que des ordres de grandeur de cet effet dans le cas de l’anglais et cela, pour le Royaume-Uni. Le site du British Council indique ainsi que les « English language products » (sans doute à comprendre comme des produits liés à la langue anglaise, donc une catégorie plus large que des produits en langue anglaise), valent environ 800 millions de livres par année ; quelque 700.000 personnes visitent le Royaume-Uni chaque année pour apprendre l’anglais, et y effectuent des dépenses pour un montant total estimé à 700 millions de livres (soit une dépense moyenne de £ 1.000 par personne).61 Le site du British Council ne donne pas de détails sur la méthodologie d’estimation. Le deuxième chiffre est basé sur des données de 1998, et mais rien n’est dit sur la période à laquelle s’applique le premier. Ces données ayant été disponibles en 2001, nous admettrons ici, par simplification, que ces montants reflètent une estimation s’appliquant à cette annéelà. Étant donné une croissance, entre 2001 et 2004, de 16,7% du PIB nominal au Royaume-Uni [62] et en supposant qu’il est identique entre secteurs, ce milliard et demi de livres aura passé, en 2004, à £ 1,75 md, ce qui équivaut à environ 2,59 milliards d’Euros, arrondis ici à € 2,5 md, pour prévenir toute erreur que pourrait faire naître

l’utilisation d’un taux de change trop défavorable à la livre.[63]
Er bestaan bij mijn weten

slechts grootteorden van dit effect in het geval van het Engels en dat voor het Verenigd Koninkrijk. De site van British Council geeft zo aan dat de « English language products »
(ongetwijfeld te verstaan als de producten verbonden met de Engelse taal, dus een bredere categorie, dan de producten in de Engels taal), ongeveer 800 miljoen pond per jaar bedraagt; zowat 700.000 personen bezoeken elk jaar het Verenigd Koninkrijk om Engels te leren en doen er uitgaven voor een totaal bedrag, geschat op 700 miljoen pond (hetzij een gemiddelde uitgave van 1000 pond per persoon).61 De site van British Council geeft geen details over de methodologie van de schatting. Het tweede cijfer is gebaseerd op de gegevens van 1998, maar er wordt niets gezegd over de periode, waarop het eerste slaat. Daar deze gegevens in 2001 beschikbaar waren, nemen we hier ter vereenvoudiging aan dat ze op dat jaar sloegen. Gezien een groei, tussen 2001 en 2004, van 16,7% van het nominale BNP in het Verenigd Koninkrijk [62] en in de veronderstelling dat die identiek is over de sectoren, zal dit anderhalf miljard pond overgegaan zijn in 2004 tot 1,75 miljard, wat evenwaardig is aan ongeveer 2,59 miljard euro, hier afgerond op 2,5 miljard om elke fout te voorkomen, die een te nadelige wisselkoers van de pond zou kunnen veroorzaken.[63]

Cependant, il ne

faut pas perdre de vue que même en l’absence d’une domination de la langue anglaise, un certain montant de biens et services liés à cette langue seraient de toute façon vendus. C’est donc une portion de ce montant de 2,5 milliards d’Euros qui doit ici être prise en compte. On retiendra ici une part de 75%, basée sur le fait, discuté plus en détail ci-après, que la surreprésentation de la traduction et de l’interprétation depuis et vers l’anglais, sur le marché européen, est de cet ordre. En conséquence, les « marchés privilégiés » valent, dans l’estimation

délibérément prudente retenue ici, € 1,875 md par année.
Maar men mag niet uit het oog

verliezen dat zelfs bij afwezigheid van een overheersing van  het Engels, een zeker bedrag aan goederen en diensten, verbonden aan deze taal toch zou verkocht worden. Het is dus een deel van dit bedrag van 2,5 miljard euro, dat hier in rekening moet gebracht worden. Men zal hier een deel van 75% weerhouden, gebaseerd op het feit, hierna meer in detail besproken, dat de oververtegenwoordiging van de vertaling en vertolking uit en naar het Engels, op de Europese markt, van deze orde is. Bijgevolg zijn de “geprivilegieerde markten” in een hier bewust voorzichtig gehouden schatting 1,875 miljard per jaar waard.

Il convient

toutefois de confronter ce chiffre aux 13 milliards d’Euros que « rapporte » chaque année la langue anglaise au royaume, selon le gouvernement britannique (cité par Phillipson, 2003: 77)64. Malgré l’écart qui apparaît à première vue, ce dernier montant est compatible avec les € 2,5 md pour une raison simple: c’est que la dépense donne lieu à un effet d’entraînement, dit effet multiplicateur, du type de ceux que l’on prend en compte pour estimer l’impact économique total d’un projet d’infrastructure, par exemple. Dans la mesure où la valeur empirique de tels multiplicateurs se situe fréquemment aux alentours de 2,5 à 3, il est probable que le montant de € 13 md signalé par Phillipson soit le produit d’un multiplicateur d’une valeur standard et d’un montant initial supérieur aux € 2,5 md indiqués par le British Council ; cette estimation du British Council est donc, selon toute probabilité, inférieure au total des dépenses directes. Cela étant, quel que soit le montant exact

de celles-ci, elles doivent être multipliées par un multiplicateur.
Het is in ieder geval nodig dit

cijfer te confronteren met de 13 miljard euro, die de Engelse taal jaarlijks “opbrengt” aan het koninkrijk, volgens de Britse regering (vermeld door Phillipson, 2003: 77)54. Spijts de afwijking, die er op het eerste zicht lijkt te zijn, is dit laatste bedrag vergelijkbaar met de 2,5 miljard voor een eenvoudige reden: het is zo, dat de uitgave aanleiding geeft tot een meesleepeffect, vermenigvuldigingseffect genaamd, van het type dat men in rekening brengt om de totale economische impact van bijvoorbeeld een infrastructuurproject in te schatten. Naarmate de empirische waarde van dergelijke vermenigvuldigers vaak rond de 2,5 tot 3 bedraagt, is het waarschijnlijk dat het bedrag van 13 miljard euro, vermeld door Phillipson, het product is van een vermenigvuldiger met een standaardwaarde en een beginbedrag hoger dan 2,5 miljard euro, aangegeven door de British Council; deze schatting van de British Council is dus, naar alle waarschijnlijkheid lager dan het totaal aan directe uitgaven. Dit gezegd zijnde, hoe groot het precieze bedrag ervan ook mag zijn, het moet vermenigvuldigd worden met een

vermenigvuldiger.
Le chiffre de € 13

md que rapporte Phillipson, publié sur le site gouvernemental officiel et accessible en 2001, mérite donc aussi d’être pris en compte. En admettant, faute d’information complémentaire, qu’il était exprimé en Euros courants, il est raisonnable de supposer qu’au cours des quatre dernières années, le taux de croissance nominal du secteur n’a pas été inférieur à celui de l’ensemble de l’économie britannique. Étant donné une croissance, entre 2001 et 2004, de 16,7% du PIB nominal au Royaume-Uni, on obtient un montant de l’ordre de € 15,2 md. En l’absence d’informations sur les modalités d’estimation retenues par la source gouvernementale citée par Phillipson, on arrondira ce montant, par prudence, à € 15 md.[65] Une partie de la demande de biens et services qui s’adresse au Royaume-Uni est issue de pays non-Européens (encore que ceux-ci soient susceptibles de se tourner davantage vers les États-Unis) ; il est donc logique de préférer un ordre de grandeur plus modeste. L’Europe des 25 représentait, en 2004, 58,1% du total des exportations de biens du Royaume-Uni, sa part dans les exportations de biens et services n’étant, par contre, pas indiquée. [66] Arrondissons ce taux à 60%, pour tenir compte du fait que pour des raisons de relative proximité géographique, des services tels que cours de langue et séjours linguistiques seront, plus que proportionnellement, consommés par des résidents d’autres pays membres de l’Europe des 25 ; nous admettrons donc que ce pourcentage de 60% s’applique à la vente de l’ensemble des biens et services liés à langue anglaise, ce qui ramène le total à € 9 md. À nouveau, il convient de se rappeler aussi qu’une partie de ce montant existerait de toute façon, même si la langue anglaise ne jouissait pas d’une position dominante. En reprenant le taux de 75% annoncé ci-dessus, on peut, en application du même principe de précaution, retenir un montant de €

6,75 md.
Het cijfer van 13 miljard dat

Phillipson rapporteert, gepubliceerd op de officiële regeringssite en toegankelijk in 2001, verdient dus ook in rekening gebracht te worden. Door aan te nemen, bij gemis aan bijkomende informatie, dat het uitgedrukt was in courante euro’s, is het redelijk te veronderstellen dat, in de loop van de vier laatste jaren, het nominale groeipercentage van de sector niet lager geweest is dan dat van het geheel van de Britse economie. Gezien een groei tussen 2001 en 2004 van 16,7% van het BNP in het Verenigd Koninkrijk, bekomt men een bedrag van de orde van 15,2 miljard euro. Bij gemis aan informatie over de schattingsmodaliteiten, weerhouden door de regeringsbron, vermeld door Phillipson, zal men dit bedrag afronden, uit voorzichtigheid, op 15 miljard euro.[65]  Een deel van de vraag naar goederen en diensten, richting Verenigd Koninkrijk is uitgegaan van niet-Europese landen (hoewel deze evengoed in staat zijn zich meer naar de Verenigde Staten te wenden); het is dus logisch een gematigder grootteorde te verkiezen. Het Europa der 25 vertegenwoordigde in 2004 58,1% van het totaal aan export van goederen van het Verenigd Koninkrijk, terwijl overigens zijn aandeel in de exporten van goederen en diensten niet was aangegeven.[66] Laat ons dit percentage afronden op 60%, om rekening te houden met het feit dat wegens de relatieve geografische nabijheid, diensten zoals taallessen en taalverblijven meer dan evenredig zullen gebruikt worden door de inwoners van andere lidstaten van het Europa der 25; we zullen dus aannemen dat dit percentage van 60% toepasbaar is op de verkoop van het geheel van goederen en diensten gebonden aan de Engelse taal, wat het totaal brengt op 9 miljard euro. Opnieuw is het nodig er aan te herinneren dat een deel van dit bedrag in ieder geval ook zou bestaan, zelfs indien het Engels van geen dominante positie zou genieten. Teruggrijpend naar het hoger gemelde percentage van 75% kan men, in toepassing van hetzelfde voorzichtigheidsprincipe, een bedrag weerhouden van 6,75 miljard euro.

Il se pose ensuite

la question suivante: quelle est la contribution de la France à ces 6.75 milliards d’Euros ? Pour ceci, il faudrait connaître la part des Français dans la consommation totale de biens et services liés à la langue anglaise. Vu que la France et la Belgique francophone représentent, démographiquement, environ 14% de la population de l’Europe des 25, leur contribution vaut quelque 945 millions d’Euros

par année pour l’économie britannique.
Vervolgens stelt zich de

volgende vraag: welke is de bijdrage van Frankrijk aan deze 6,75 miljard euro? Daartoe zou men het aandeel van de Fransen in de totale consumptie aan goederen en diensten gebonden aan de Engelse taal moeten kennen. Gezien Frankrijk en Franstalig België demografisch ongeveer 14% van de bevolking van het Europa der 25 vertegenwoordigt, is hun bijdrage zowat 945 miljoen euro per jaar waard voor de Britse economie.

Tous les chiffres

discutés ici reflètent donc, fût-ce très approximativement, la situation actuelle – quand bien même, on l’a dit, ils sont sans doute en dessous de la réalité. Le montant de ces transferts serait certainement supérieur si l’on adoptait le scénario du « tout-à-l’anglais », puisqu’il renforce et institutionnalise la légitimité supérieure de l’anglais par rapport à toute autre langue. En attendant une analyse plus approfondie, il est impossible de risquer des hypothèses à cet égard. On admettra donc – optant une fois de plus pour la prudence – que ces chiffres correspondent aux transferts qui résulteraient de l’adoption du «

tout-à-l’anglais ».
Alle hier besproken cijfers

geven dus, zij het zeer grof benaderend, de huidige situatie weer –hoewel, zoals gezegd, ze zonder twijfel beneden de werkelijkheid liggen. De som van die overdrachten zou zeker hoger zijn als men het scenario “alles in ’t Engels” zou aannemen, omdat het de hogere legitimiteit van het Engels tegenover elke andere taal zou versterken en institutionaliseren. In afwachting van een meer uitgediepte analyse is het onmogelijk zich aan hypotheses in dat verband te wagen. Men zal dus aannemen – eens te meer uit voorzichtigheid – dat deze cijfers overeenkomen met het aannemen van

“alles in ’t Engels”.
Ceci soulève

toutefois une difficulté conceptuelle, qui est celle du point de référence. Nous avons vu qu’une partie de cette fourniture de biens et services en anglais et pour l’apprentissage de l’anglais aurait lieu de toute façon, même si l’anglais n’était pas en position hégémonique. Mais l’Allemagne, la France, l’Espagne, et aussi, à une échelle plus modeste, la Suède ou la Hongrie, vendent des services linguistiques concernant leurs langues nationales respectives. Dans ce qui suit, et compte tenu du fait que les ordres de grandeur retenus pour les transferts en faveur de l’anglais pèchent certainement par défaut, on ne retranchera pas du bilan net de ce scénario les transferts dont bénéficie la France en résultat du statut international de la langue française. On rappellera en outre qu’à mesure que s’affirme la préséance de l’anglais, l’avance du français par rapport à des langues tierces (allemand et espagnol notamment) ne peut que s’amenuiser.[67] Néanmoins, on pourrait fort bien envisager, dans le cadre d’une analyse plus approfondie, d’opérer une correction supplémentaire: on déduirait alors des montants évoqués ci-dessus

une estimation des transferts en direction de la France.
Dit stelt evenwel een

conceptuele moeilijkheid, die deze is van het referentiepunt. We hebben gezien dat een deel van deze levering van goederen en diensten in het Engels en voor het leren van het Engels in elk geval zou plaatsvinden, ook indien het Engels niet in een hegemoniepositie zou zijn. Maar ook Duitsland, Frankrijk, Spanje en op mindere schaal eveneens Zweden en Hongarije, verkopen taaldiensten in verband met hun respectieve nationale talen. In hetgeen volgt en rekening houdend met het feit dat de weerhouden grootteorden voor de overdrachten ten voordele van het Engels zeker afwijkend zijn door tekort, zal men van de netto balans de overdrachten, waarvan Frankrijk geniet als resultaat van het internationale statuut van de Franse taal, niet aftrekken. Men zal er bovendien aan herinneren dat naarmate de overheersing van het Engels zich doorzet, de voorsprong van het Frans ten overstaan van de andere talen (Duits en Spaans namelijk) alleen maar kan afzwakken.[67] Niettemin zou men zeer goed kunnen voorzien, in het kader van een diepere analyse, een bijkomende correctie uit te voeren: men zou dan van de hoger genoemde bedragen een schatting van de overdrachten richting Frankrijk aftrekken.

Qu’en est-il, à

présent, des autres scénarios ? Par définition, le scénario 3 (espéranto) ne donne lieu à aucun marché privilégié de ce type, puisque aucun pays ne disposerait d’un avantage décisif dans la fourniture de services linguistiques liés à l’espéranto. Le scénario 2 (plurilinguisme) est à situer dans une zone intermédiaire, puisqu’il implique une répartition de la communication sur plusieurs langues parmi lesquelles il probable que l’anglais jouisse d’un poids supérieur à celui qui devrait lui revenir d’un simple point de vue démolinguistique, soit environ 14% (ce qui correspond grosso modo à la part des anglophones natifs dans l’Europe des 25), d’autant plus que sous les hypothèses faites ici, l’anglais serait avec le français et l’allemand l’une des trois langues à bénéficier d’un statut privilégié. Toutefois, ce qui compte du point de vue de cette étude, c’est la mesure dans laquelle un tel transfert en faveur des biens et services liés à la langue anglaise dépasserait le transfert qui s’opérerait en faveur des biens et services liés à la langue française. Dans un environnement linguistique qui promeut sérieusement et activement le plurilinguisme – tel qu’on l’a esquissé plus haut – les transferts nets entre deux grandes langues seraient négligeables. Par contre, il resterait positif de l’ensemble des « petites » vers l’ensemble des « grandes » langues, et tout particulièrement le trio

anglais-françaisallemand. 
Hoe staat het nu met de andere

scenario’s? Bij definitie geeft scenario 3 (Esperanto) aanleiding tot geen enkele geprivilegieerde markt van dit type, omdat geen enkel land over een beslissend voordeel zou genieten in de levering van taaldiensten, gebonden aan Esperanto. Het scenario 2 (meertaligheid) is te situeren in een tussenpositie, omdat het een verdeling van de communicatie over meerder talen inhoudt, waaronder het Engels waarschijnlijk van een hoger gewicht zou genieten dan wat het zou moeten krijgen uit eenvoudig demografisch-taalkundig oogpunt, hetzij ongeveer 14% (wat grosso modo overeenkomt met het aandeel Engelstaligen van geboorte in het Europa der 25), des te meer dat onder de hier gemaakte hypotheses, het Engels samen met het Frans en het Duits één van de drie talen zou zijn die genieten van een geprivilegieerd statuut. Nochtans, wat telt uit oogpunt van deze studie is de mate, in dewelke een dergelijke overdracht ten gunste van de goederen en diensten gebonden aan de Engelse taal de overdracht zou overtreffen, die zou gebeuren ten gunste van de goederen en diensten gebonden aan de Franse taal. In een taalmilieu dat ernstig en actief de meertaligheid zou bevorderen – zoals we dat hoger geschetst hebben – zou de netto overdracht tussen twee grote talen verwaarloosbaar zijn. Integendeel, zou die positief blijven voor het geheel van “kleine” talen naar het geheel van de “grote” talen, en heel bijzonder het drietal Engels-Frans-Duits.

L’économie d’effort dans la communication

Certaines des questions qui se posent ici sont conceptuellement assez similaires à celles que l’on vient de traiter dans le cadre des « marchés privilégiés ». Il s’agit toutefois ici du phénomène suivant: selon l’environnement linguistique vers lequel on s’oriente et, par conséquent, selon les modalités correspondantes de communication internationale, tous les interlocuteurs n’auront pas le même effort à

fournir.

De inspanningeneconomie in de communicatie

Sommige vragen die zich hier stellen zijn conceptueel nogal gelijkaardig met die, welke we reeds behandeld hebben in het kader van de “geprivilegieerde markten”. Het gaat hier in ieder geval over het volgende fenomeen: volgens het taalmilieu waarop men zich richt en bijgevolg volgens de overeenkomstige modaliteiten van de internationale communicatie, zullen niet alle sprekers dezelfde inspanningen moeten

leveren.
Commençons à nouveau

par le scénario 1, c’est-à-dire le « tout-à-l’anglais »: dans ce cas, la majorité, voire l’intégralité de la communication entre personnes de langues maternelles différentes aurait lieu en anglais. Par conséquent, les anglophones n’ont pas besoin de traduire dans leur langue les messages émis par des non-anglophones, pas plus qu’ils n’ont besoin de traduire vers d’autres langues les messages qu’ils émettent ; cet effort est par contre incontournable par tous les

autres, pour autant qu’ils veuillent être compris.[68]
Laat ons terug beginnen met

scenario 1, dat wil zeggen “alles in ’t Engels”: in dit geval zou de meerderheid van, zoniet de gehele communicatie tussen personen met verschillende moedertaal plaats vinden in het Engels. Bijgevolg hebben de Engelstaligen geen vertaling naar hun taal nodig voor berichten, die gezonden worden door niet-Engelstaligen, en moeten ze evenmin de berichten die zij zenden, vertalen in andere talen; deze inspanning is integendeel onafwendbaar voor alle anderen, voor zover ze willen begrepen worden.[68]

Pour situer, ne

fût-ce que très approximativement, les montants que cela implique, on peut partir d’une étude réalisée dans le cadre du programme européen MLIS (ASSIM, 2000). Ce que sa version française appelle executive summary indique que le marché des services de traduction et d’interprétation représentait en 1997 un montant de 3,75 milliards d’Euros. En admettant que la croissance du secteur a, sur la période 1997-2004, suivi celle du PIB nominal dans l’Europe des 15, soit 33,7% d’accroissement,[69] la valeur nominale actuelle de ce marché serait de l’ordre de

€ 5,014 md.
Om de bedragen te situeren die

dat meebrengt, al was het maar zeer grof benaderend, kan men vertrekken van een studie die uitgevoerd werd in het kader van het Europese programma MLIS (ASSIM, 2000). Wat zijn Franse versie noemt executive summary, geeft aan dat de markt van vertaal- en tolkendiensten in 1997 een bedrag vertegenwoordigt van 3,75 miljard euro. Als men aanneemt dat de groei van de sector in de periode 1997-2004 deze van het nominale BNP in het Europa der 15 gevolgd heeft, hetzij 33,7% groei, [69] zou de nominale waarde van die markt van de orde van 5,014 miljard euro zijn.

Cependant, ce

chiffre doit encore être ajusté pour tenir compte de l’accroissement du marché à prendre en compte avec l’élargissement de l’Union de 15 à 25 membres. Ceci représente, selon les données Eurostat, un accroissement de la population de l’Union de 19,3%. Ces nouveaux segments de marché étant moins riches que les autres, il ne faut pas forcément s’attendre à ce que le volume du marché de la traduction et de l’interprétation augmente strictement en proportion de l’accroissement démographique. Par conséquent, et compte tenu du fait que le PIB moyen par tête dans les nouveaux États membres peut être estimé, toujours selon Eurostat (en parité des pouvoirs d’achat), à un peu moins 50% du PIB moyen par tête de l’Europe des 15, on admettra ici un accroissement du volume du marché de 10%, soit une taille du marché européen de la traduction et de l’interprétation de

€ 5,515 md courants en 2004.
Nochtans moet dit cijfer nog

aangepast worden om rekening te houden met de groei van de markt,  rekening houdend met de uitbreiding van de Unie van 15 naar 25 leden. Dit vertegenwoordigt volgens de gegevens Eurostat, een toename van de bevolking met 19,3%. Deze nieuwe marktsegmenten zijn minder rijk dan de andere, men moet er zich dus niet noodzakelijk aan verwachten dat het marktvolume van de vertaling en vertolking strikt proportioneel toeneemt volgens de demografische groei. Bijgevolg, en rekening houdend met het feit dat het gemiddelde BNP per hoofd in de nieuwe lidstaten kan geschat worden, steeds volgens Eurostat (bij gelijkheid van koopkrachten) op een kleine 50% van het gemiddelde BNP per hoofd van het Europa der 15, men zal hier een groei aannemen van het marktvolume van 10%, hetzij een volume van de Europese vertaal- en tolkenmarkt van 5,515 miljard euro van 2004.

Ce marché se

répartit sur un certain nombre de langues et, pour chaque langue, il faut distinguer la traduction et l’interprétation depuis cette langue et vers cette

langue.
Deze markt is gespreid over een

zeker aantal talen en voor elke taal moet onderscheid gemaakt worden tussen de vertaling en vertolking uit

en naar die taal.
Afin de s’approcher

d’une estimation des transferts occasionnés par le scénario du « tout-à-l’anglais », il convient d’identifier la part de marché qui est dévolue aux traductions depuis et vers l’anglais, au-delà de ce qu’elle serait si l’anglais ne bénéficiait pas d’une position hégémonique. On peut considérer que cette part « normale » devrait correspondre au poids démographique de l’anglais comme langue maternelle dans l’Europe des 25, soit quelque 14%. Or la part de la traduction depuis l’anglais et vers l’anglais est assurément plus élevée. À ma connaissance, il n’existe pas de données systématiques sur le sujet ; cependant, les ordres de grandeur de 50% à 60% indiqués par les interlocuteurs du domaine de la traduction et de l’interprétation avec lesquels des contacts ont été pris pour la réalisation de cette étude convergent, et sont en phase avec une étude publiée en 1999 par l’OFIL qui fait référence, sans plus de précision, aux « estimations de la Commission de l’Union européenne », données se rapportant à l’année 1992. [70] La part de l’anglais comme langue-cible serait de 50% (sur l’ensemble des langues-cibles). Par conséquent, on peut admettre, faute d’informations plus détaillées, que c’est d’un pourcentage situé entre 50% et 60% qu’il convient de déduire la part « normale » de 14%. Pour les besoins de cette étude, on retiendra donc un « excès » dû au statut dominant de l’anglais de l’ordre de 40% de la taille totale du marché, soit, très

approximativement, quelque € 2,2 md.71
Teneinde een schatting te

benaderen van de overdrachten, veroorzaakt door het scenario “alles in ’t Engels”, is het nodig het marktgedeelte te onderscheiden dat ten deel valt aan de vertalingen uit en naar het Engels, boven hetgeen dat zou zijn, indien het Engels niet profiteerde van een hegemoniepositie. Men kan beschouwen dat dit “normale” aandeel zou moeten overeenkomen met het demografische gewicht van het Engels als moedertaal in het Europa der 25, hetzij zowat 14%. Welnu het aandeel van de vertaling uit en naar het Engels is zeker hoger. Bij mijn weten bestaan er geen systematische gegevens over dit onderwerp; nochtans convergeren de grootteorden van 50% tot 60%, aangegeven door sprekers uit het domein van de vertaling en vertolking, waarmee contact genomen werd voor de uitwerking van deze studie, en zijn ze gelijklopend met een studie gepubliceerd in 1999 door de OFIL die zonder verdere precisering, refereert naar “schattingen van de Commissie van de Europese Unie”, gegevens die slaan op het jaar 1992. [70] Het aandeel van het Engels als doeltaal zou 50% zijn (van het geheel van doeltalen). Bijgevolg kan men aannemen, bij gemis aan meer gedetailleerde informatie, dat men het “normale” aandeel van 14% moet aftrekken van een percentage gelegen tussen 50% en 60%. Voor de noden van deze studie zal men dus een “overschot” weerhouden, te wijten aan het dominante statuut van het Engels, in de orde van 40% van het totaal van de markt, hetzij, zeer grof benaderd, zowat 2,2 miljard euro.71.

Notons au passage

que le ratio (0,54-0,14)/0,54 ≅ 0.74 peut s’interpréter comme un indicateur de surreprésentation de l’anglais ; c’est lui qui est à la base du taux de 0,75% appliqué plus haut afin d’estimer quelle est la part réellement « privilégiée »

du marché des biens et services de langue anglaise.
Noteren we in de vlucht dat de

verhouding (0,54-0,14)/0,54 ≅ 0.74 kan geïnterpreteerd worden als een indicator van oververtegenwoordiging van het Engels; het is die welke aan de basis ligt van een percentage van 0,75% hoger toegepast om te schatten welke het werkelijk “geprivilegieerde” aandeel is van de markt van diensten en goederen van de Engelse taal.

On pourrait penser à

première vue qu’il convient de diviser ce montant par deux pour ne considérer qu’une direction de traduction et d’interprétation. Pourtant, ce sont bien les deux flux qu’il convient de prendre en compte, car si la communication était égalitaire, les interlocuteurs de langue maternelle anglaise devraient financer des services de traduction et d’interprétation depuis leur langue et vers leur langue, exactement comme les locuteurs d’autres langues. Le point de référence est donc bien le poids démolinguistique des anglophones, et c’est l’intégralité de ces 2,2 milliards d’Euros qui leur est épargnée du fait du statut dominant de l’anglais. Il est hautement probable qu’en cas d’adoption du « tout-à-l’anglais », l’épargne ainsi réalisée par les anglophones serait plus importante encore. Toute prospective à ce sujet étant risquée, je me rabats sur l’hypothèse la plus prudente, en admettant que ce montant de € 2,2 md correspond, même dans le scénario de « tout-à-l’anglais », à l’économie que réaliseraient les acteurs de langue maternelle anglaise dans le contexte européen. Selon toute probabilité, le montant effectif serait très nettement

supérieur.
Men zou op het eerste zicht

kunnen denken dat men dit bedrag door twee zou moeten delen om maar één richting van vertaling en vertolking te beschouwen. Toch zijn het wel de twee stromen die men in rekening moet brengen, want als de communicatie op gelijke voet zou verlopen, zouden de gesprekspartners met moedertaal Engels de vertaal- en vertolkingdiensten uit en naar hun taal moeten financieren, precies zoals de gesprekspartners van andere talen. Het referentiepunt is dus wel het demografisch-taalkundige gewicht van de Engelstaligen, en het is wel het volledige bedrag van deze 2,2 miljard euro, dat hun bespaard wordt door het feit van het dominante statuut van het Engels. Het is hoogst waarschijnlijk dat in geval van aanname van “alles in ’t Engels”, de besparing zo gerealiseerd door de Engelstaligen nog veel belangrijker zou zijn. Omdat alle toekomstverwachtingen over dit onderwerp gewaagd zijn, houd ik mij aan de voorzichtigste hypothese door aan te nemen dat dit bedrag van 2,2 miljard euro overeenkomt, zelfs in het scenario “alles in ’t Engels” met de besparingen die de actoren met Engelse moedertaal zouden realiseren in de Europese context. Naar alle waarschijnlijkheid zou het werkelijke bedrag zeer

beduidend hoger liggen
Supposons à présent

que tous les acteurs de l’Union (individus, entreprises, collectivités publiques, associations) participent de façon à peu près égale à la communication ; dès lors, le poids de chaque communauté linguistique dans cette communication totale reflète son poids démographique. Comme la France et la Belgique francophone représentent environ 14% de la population de l’Union, les acteurs anglophones sont redevables aux francophones de quelque 308 millions d’Euros annuellement au titre de l’économie d’effort dans la communication entre

francophones et anglophones.
Laat ons nu veronderstellen dat

alle actoren van de Unie (individuen, ondernemingen, openbare gemeenschappen, verenigingen) op ongeveer gelijke manier deelnemen aan de communicatie; vanaf dan weerspiegelt het gewicht van elke taalgemeenschap in deze totale communicatie zijn demografisch gewicht. Daar Frankrijk en Franstalig België ongeveer 14% vertegenwoordigen van de bevolking van de Unie, zijn de Engelstalige actoren aan de Franstaligen jaarlijks ongeveer 308 miljoen schuldig wegens inspanningenbesparing in de communicatie tussen Franstaligen en Engelstaligen.

Le scénario 3, à

nouveau, fait automatiquement disparaître tout transfert de ce type, puisque chacun devra consentir un effort symétrique pour la traduction et l’interprétation de messages entre sa langue maternelle et l’espéranto. Le scénario 2 représente, comme à l’égard des « marchés privilégiés », une solution intermédiaire. Dans la mesure où un environnement plurilingue réalisable accorderait un poids relativement plus important à quelques « grandes » langues (selon nos hypothèses concernant ce scénario, il s’agirait de l’anglais, du français et de l’allemand), il autoriserait sans doute les locuteurs de ces grandes langues à s’épargner certains efforts. Toutefois, les transferts entre grandes langues seraient sans doute négligeables, et l’on supposera que le bilan net pour la France ou les francophones, au titre de ce type de transfert, serait égal à zéro dans ce cas de

figure.
Scenario 3, eens te meer, doet

automatisch elke overdracht van dit type verdwijnen, omdat iedereen een symmetrische inspanning zal moeten doen voor de vertaling en vertolking van berichten tussen zijn moedertaal en het Esperanto. Het scenario 2 vertegenwoordigt, zoals tegenover de “geprivilegieerde markten” een tussenoplossing. In de mate dat een realiseerbaar meertalig milieu een belangrijke gewicht zou toekennen aan enkele “grote” talen (volgens onze hypothesen betreffende dit scenario zou het gaan over het Engels, het Frans en het Duits), zou het ongetwijfeld aan deze grote talen bepaalde inspanningen laten besparen. In ieder geval zouden de overdrachten tussen grote talen zonder twijfel verwaarloosbaar zijn, en men zal veronderstellen dat de netto balans voor Frankrijk of de Franstaligen, ten aanzien van dit type overdrachten, gelijk is aan nul in dat geval.

L’économie d’effort dans l’enseignement des langues étrangères

Tout le monde n’a pas les mêmes besoins de compétences linguistiques selon l’environnement linguistique choisi. Si la maîtrise d’une ou deux autres langues étrangères à un niveau élevé est considérée comme une nécessité pour les Finnois ou les Slovènes, elle semble l’être d’autant moins que l’on appartient à une communauté linguistique de taille importante. Ceci se vérifie dans le fait, examiné de plus près ci-dessous, que le système scolaire anglais et gallois (à distinguer des systèmes écossais et nord-irlandais) pose des exigences nettement moindres aux élèves en termes d’acquisition des langues étrangères. Ce qui compte ici, toutefois, c’est la mesure dans laquelle cet effort est inférieur à celui qu’il devrait être dans d’autres cas. Par souci de simplification, on prendra comme référence l’actuel système français d’enseignement des langues étrangères, dont nous avons résumé

les caractéristiques essentielles par un tableau dans l’Annexe A3.

De inspanningeneconomie in het onderwijs van vreemde talen

Niet iedereen heeft nood aan dezelfde taalvaardigheden volgens het gekozen taalmilieu. Als de beheersing op hoog niveau van één of twee andere vreemde talen als een noodzaak beschouwd wordt voor Finnen of Slovenen, schijnt ze dat zoveel minder te zijn als men behoort tot een taalgemeenschap van belangrijke grootte. Dat is na te gaan in het verder nader onderzochte feit, dat het Engelse en Walese (te onderscheiden van de Schotse en Noord-Ierse systemen) schoolsysteem duidelijk mindere eisen stellen aan de leerlingen in termen van aanleren van de vreemde talen. Wat hier nochtans telt is de mate, waarin deze inspanning lager is dan die wat ze zou moeten zijn in andere gevallen. Omwille van vereenvoudiging zal men het huidige Franse onderwijssysteem voor vreemde talen als referentie nemen, waarvan we de essentiële karakteristieken samengevat hebben in een tabel in Bijlage

A3.
Sur cette base, on

peut estimer l’investissement total pour l’enseignement des langues étrangères en France à quelque 8,235 milliards d’Euros par année. Ce montant suppose deux simplifications qui sont supposées s’annuler l’une l’autre dans un large mesure: d’un côté, on a négligé le fait que le pourcentage de collégiens et de lycéens étudiant une deuxième langue étrangère était, dès la quatrième, inférieur à 100% (avec des taux variant de 86,4% à 98,1% en 2003-2004) ; à l’inverse, on n’a pas tenu compte du fait qu’un certain pourcentage (non précisé sur le site Internet de la DEP) de lycéens étudient une troisième langue étrangère, et que 11% des élèves inscrits en BEP, CAP ou Bac professionnel en étudient une deuxième. Comme il est probable que ces deux derniers effets excèdent le second, notre estimation finale du coût total de l’enseignement des langues étrangères en France, soit environ € 8,235 md, est sans doute légèrement en dessous de la réalité. Le détail des estimations est fourni dans le tableau 3.

Op deze basis kan men de totale

investering voor het onderwijs in vreemde talen in Frankrijk schatten op zowat 8,235 miljard euro per jaar. Dit bedrag veronderstelt twee vereenvoudigingen, die verondersteld worden elkaar grotendeels op te heffen: aan de ene kant heeft men het feit verwaarloosd, dat het percentage van college- en lyceumstudenten, die een tweede taal leren, vanaf de vierde, lager is dan 100% (met percentages schommelend tussen 86,4% en 98,1% in 2003-2004); aan de andere kant heeft men geen rekening gehouden met het feit dat een zeker percentage (niet nader bepaald op de internetsite van de DEP) van de lyceumstudenten een derde vreemde taal leren en dat 11% van de leerlingen ingeschreven in BEP, CAP of beroeps-Bac er een tweede leren. Daar het waarschijnlijk is dat deze laatste twee effecten het tweede overtreffen, is onze eindschatting van de totale kost van het onderwijs van vreemde talen in Frankrijk, hetzij ongeveer 8,235 miljard euro, ongetwijfeld licht onder de realiteit. Detail van deze schattingen wordt gegeven in tabel 3.

<img

style="width: 472px; height: 813px;" alt="" src="Grin06tab3.jpg">

<img

style="width: 472px; height: 813px;" alt="" src="Grin06tab3.jpg">
TABEL 3/ ONDERWIJS VAN VREEMDE TALEN IN FRANKRIJK (PRIMAIR: 1999-2000 ; ANDERE: 2003-2004) LEERJAAR DEEL UURREGELING VAN L.E. UITGAVE/LEERLING AANTALLEN UITGAVE TOTAAL CP 0,058 261,3 783532 204736911 CE1 0,058 261,3 822422 214898868 CE2 0,067 304,9 797725 243226352 CM1 0,067 304,9 793648 241983275 CM2 0,067 304,9 801511 244380703 Totaal PrimairXXX 1.149.226.111 Totaal primair (×1.024)72 1.176.807.538 Zesde 0,148 1058 821653 869308874 Vijfde 0,135 965 801084 773046060 Vierde 0,123 1630 818337 1333889310 Derde 0,105 1509 794116 1198321044 Totaal College 4.174.565.288 Tweede 0,193 1882 533489 1004026298 Primair 0,158 1540 487872 751322880 Einde 0,147 1433 489111 700896063 Totaal Lyceum 2.456.245.241 BEP/CAP/Bac Beroep 0,061 614 695452 427007528 Totaal BEP/CAP/Bac Pro 427.007.528 Uitgave totaal (€) 8.234.625.595 Bronnen: data DEP (Direction de l'évaluation et de la prospective = Directie evaluatie en voorziening), (http://www.education.gouv.fr/stateval/default.htm) en programma’s en uurroosters van de diverse formaliteitketens van het Franse Onderwijssysteem, programma’s en beschikbare uurroosters in de pedagogische website van het ministerie van nationale opleiding (http://eduscol.education.fr/). Cijfers voor het jaar 2003-2004 betreffende het secundair (College, Lyceum en secundair beroepsonderwijs) en voor het jaar 1999-2000 betreffende het primaire. Correctie van de primaire cijfers: rekening houdend met een

demografische groei van 2,4% tussen 1999-2000 en 2003-2004.
Les données valant

pour 2004 (ou ayant fait, dans le cas du primaire, l’objet d’une extrapolation pour 2004 à partir des données de 1999), il convient de diviser le montant total obtenu de € 8.234.625.595 par la population résidente de cette même année [73], soit 59.900.700, pour obtenir une dépense par habitant et par an, pour l’enseignement des langues étrangères, d’un peu plus de € 137. Par ailleurs, ce montant de quelque 8,23 milliards d’Euros équivaut à 10% de la dépense éducative totale, tertiaire non-compris. Ce chiffre coïncide exactement avec les estimations

réalisées en Suisse une dizaine d’années auparavant.
Daar de cijfers gelden voor 2004

(of na extrapoleren in het geval van de primaire voor 2004, vertrekkende van de gegevens van 1999) moet het totale bekomen bedrag van € 8.234.625.595 gedeeld worden door het aantal inwoners van datzelfde jaar [73], hetzij 59.900.700, om een uitgave per inwoner en per jaar te bekomen, voor het onderwijs van vreemde talen, van iets meer dan € 137. Overigens is dit bedrag van zowat 8,23 miljard euro glijk aan 10% van de totale uitgave aan opleiding, tertiair niet inbegrepen. Dit cijfer valt precies samen met de schattingen, die een tiental jaar eerder werden uitgevoerd in

Zwitserland.
Dans le cas du

système éducatif britannique, l’imprécision des données disponibles empêche, sous réserve d’une étude beaucoup plus approfondie, de fournir des estimations véritablement comparables. Dans une large mesure, le problème tient au fait que les langues étrangères sont devenues matière à option pour une proportion croissante des élèves du système anglais. Comme le relèvent Driscoll, Jones et Macrory: « […] 44% des écoles qui enseignent au KS2 [Key Stage 2: élèves de 7 à 11 ans] en Angleterre offrent des langues étrangères à leurs élèves. 35% de l’ensemble des écoles leur consacrent du temps d’enseignement. L’offre de langues étrangères, cependant, est moins étendue que ceci ne pourrait le

laisser croire.
In het geval van het Britse

opleidingssysteem belet de onnauwkeurigheid van de beschikbare gegevens, onder voorbehoud van een veel meer uitgediepte studie, echt vergelijkbare schattingen te geven. In ruime mate ligt dit probleem aan het feit dat de vreemde talen keuzevakken zijn geworden voor een stijgende verhouding leerlingen van het Engelse systeem. Zolas Driscoll, Jones en Macrory onthullen: “[...] 44% van de scholen die onderwijzen in KS2 [Key Stage 2: leerlingen van 7 tot 11 jaar] in Engeland bieden vreemde talen aan hun leerlingen. 35% van het geheel van de scholen besteden er tijd aan. Het aanbod van vreemde talen is nochtans minder uitgebreid dan wat dit zou kunnen laten geloven.

Seules 3% des écoles

offrent à tous les élèves de tous les degrés un cours de langue étrangère de 20 à 30 minutes au moins une fois par semaine. En outre, seules 3 des écoles interrogées proposaient à tous les élèves des cours de 50 minutes ou plus par semaine. La durée de leçon la plus fréquente était de 20 à 30 minutes, avec une fréquence modale d’une fois par semaine. La nature et la quantité de l’offre peut également varier en fonction des groupes d’âges à l’intérieur du KS2. Les élèves plus âgés recevaient en général une instruction plus ciblée sur une durée plus longue. 14% de toutes les écoles ayant répondu à l’enquête ont indiqué que les élèves de 6ème année [de scolarité] avaient des leçons spécifiquement consacrées aux langues étrangères. 39% des enseignants du primaire étaient en faveur de consacrer davantage de temps à l’enseignement des langues étrangères. Les contraintes horaires étaient considérées comme un facteur important pour décider si les langues étrangères devaient figurer au programme. 27% des écoles qui avaient retiré les langues étrangères ont indiqué pour motif le manque de temps pour le

faire. » (Driscoll, Jones et Macrory, 2004: 10, ma traduction).
Slechts 3% van de scholen bieden

aan alle leerlingen van alle graden een cursus vreemde taal van 20 tot 30 minuten ten minste eenmaal per week. Overigens stelden slechts 3 van de ondervraagde scholen aan alle leerlingen lessen voor van 50 minuten of meer per week. De meest frequente lesduur ging van 20 tot 30 minuten met een modale frequentie van eenmaal per week. De natuur en de hoeveelheid van het aanbod kan eveneens variëren in functie van de leeftijdsgroepen binnen het KS2. De oudere leerlingen kregen in het algemeen meer op langere duur gericht onderwijs. 14% van alle scholen, die antwoordden op de bevraging, hebben aangeduid dat de leerlingen van het zesde jaar [leren] lessen hadden, die specifiek gewijd waren aan vreemde talen. 39% van de leerkrachten waren voorstander meer tijd te besteden aan het onderwijs van de vreemde talen. De eisen van de uurroosters werden beschouwd als een belangrijke factor om te beslissen of de vreemde talen moesten voorkomen op het programma. 27% van de scholen, die de vreemde talen hadden weggehaald, hebben als motief aangegeven gemis aan tijd om dat te doen.” (Driscoll, Jones en Macrory, 2004: 10, mijn vertaling).

Sur la base de cette

même enquête, du document Language trends in 2004—KS4 du National Centre for Languages [74] et des données Eurydice,[75] on peut faire une estimation d’ensemble de la part des langues étrangères au key stages 2 (7 à 11 ans) et 4 (14 à 16 ans), sachant par ailleurs que le key stage 3 (11 à 14 ans) est le seul pendant lequel l’enseignement d’une langue étrangère est obligatoire — avec toutefois un dosage extrêmement variable. Ceci complique notablement l’estimation de la part des langues étrangères dans les grilles horaires, sans compter que seul le nombre minimum d’heures dans l’horaire est fixé réglementairement ; la conversion entre heures d’horloge et heures d’instruction est également problématique, quoiqu’une moyenne de 50 minutes d’horloge par heure d’enseignement de matière semble être la norme. Les données du ministère britannique de l’éducation fournissent des chiffres sur la dépense totale, d’où on tire une dépense par élève, sur l’ensemble du système (KS1 à KS4) de 4.954 Euros par an.[76] On peut en tirer un tableau synoptique (tableau 4) qui permettra d’évaluer très approximativement l’effort réalisé en Angleterre pour l’enseignement des langues étrangères. Cependant, afin de tenir compte du fait que les dotations horaires sont réputées supérieures en Écosse et en Irlande du Nord, qui représentent à elles deux 11,3% de la population du Royaume-Uni, nous avons uniformément augmenté l’indicateur de la part horaire des langues étrangères dans la grille horaire de 10%, ce qui revient à supposer que les écoliers écossais et nord-irlandais ont, en moyenne, près du double d’heures de cours de langues étrangères que les élèves anglais et gallois. Ce chiffre ajusté est ensuite multiplié par les données sur les effectifs et les dépenses pour l’ensemble du

Royaume-Uni.
Op basis van deze zelfde

bevraging, van het document Language trends in 2004-KS4 van het National Centre for Languages [74] en van de gegevens Eurydice,[75] kan men een overzichtschatting maken van het aandeel van de vreemde talen in de key stages 2 (7 tot 11 jaar) en 4 (14 tot 16 jaar), overigens wetende dat key stage 3 (11 tot 14 jaar) het enige is, waarin het onderwijs van een vreemde taal verplicht is – met nochtans een uiterst wisselende dosering. Dit maakt de schatting van het aandeel vreemde talen in het uurrooster merkbaar ingewikkelder, zonder nog te rekenen dat alleen al het minimum aantal uren in de uurtabellen reglementair vastgesteld is; de omzetting tussen werkelijke uren en lesuren is eveneens een moeilijkheid, hoewel een gemiddelde van 50 werkelijke minuten per lesuur van de stof de norm schijnt te zijn. De gegevens van het Britse ministerie van opleiding geven cijfers over de totale uitgaven, waaruit men een uitgave per leerling haalt voor het geheel van het systeem (KS1 tot KS4) van 4.945 euro per jaar.[76] Men kan er een synoptische tabel uit opmaken (tabel 4) die zal toelaten zeer grof benaderend de inspanningen in Engeland te schatten voor het onderwijs van vreemde talen. Nochtans, om rekening te houden met het feit dat de uurdotaties hoger heten te zijn in Schotland en in Noord-Ierland, die samen 11,3% van de bevolking van het Verenigd Koninkrijk uitmaken, hebben we gelijkmatig de indicator van het uuraandeel van de vreemde talen in het uurrooster verhoogd met 10%, wat er op neerkomt te veronderstellen dat de Schotse en Noord-Ierse leerlingen gemiddeld ongeveer het dubbel aantal uren les krijgen in vreemde talen dan de Engelse en Walese leerlingen. Dit cijfer wordt vervolgens vermenigvuldigd met de gegevens over de effectieven en de

uitgaven voor het geheel van het Verenigd Koninkrijk.
<img

style="width: 378px; height: 1066px;" alt="" src="Grin06Tab04.jpg">

<img

style="width: 378px; height: 1066px;" alt="" src="Grin06Tab04.jpg">
TABEL 4: ONDERWIJS VREEMDE TALEN, VERENIGD KONINKRIJK, TOTALE UITGAVEN EN PER LEERLING (2002-2003) Groep leerjaren Dot. weekgem. L.E. (x 60 min.) Betrokken leerlingen (%) Gemiddelde duur L.E..(x 60 min.) Uuraandeel L.E. (x 60 min.) Aanpassing voor heel UK Uitg. / leerling voor L.E. (€), UK (µ=4954) Hoeveelh (lineair gemiddelde) Volledig uitgave (€) ENGELAND EN WALES KS1 0 -- 0 0 0 0 1.672.728 0 KS2 0,5 33 0,167 0.009 0.01 49.5 3.345.456 165.600.072 KS3 2,25 100 2,25 0.1125 0.124 614.3 2.509.592 1.541.642.366 KS4 1,5 66 1 0.05 0.055 272.5 1.672.278 455.695.755 Totale uitgave 2.162.938.193 

La dépense totale

d’un peu plus de 2 milliards d’Euros, rapportée à la population du Royaume-Uni, revient à un dépense annuelle par habitant légèrement supérieure à € 36 (€ 36.25). La comparabilité entre les chiffres français, basés sur l’année 2003- 2004 avec les chiffres britanniques, basés sur l’année 2002-2003, n’est assurément pas parfaite ; cependant, à titre d’ordre de grandeur, on peut admettre que par rapport à la France, prise ici comme référence, le Royaume-Uni économise actuellement 100 Euros par habitant et par an du simple fait de la prédominance de l’anglais. Ceci représente environ 6 milliards d’Euros par année. L’économie pour l’ensemble des anglophones d’Europe vaut même 400 millions d’Euros supplémentaires, si l’on ajoute quelque 4 millions de résidants de la République

d’Irlande.
De totale uitgave van iets meer

dan 2 miljard euro, betrokken op de bevolking van het Verenigd Koninkrijk, komt neer op een jaarlijkse uitgave per inwoner van iets meer dan € 36 (€ 36.25). De vergelijkbaarheid tussen de Franse cijfers op basis van het jaar 2003-2004 met de Britse cijfers gebaseerd op het jaar 2002-2003 is zeker niet perfect; nochtans, als orde van grootte kan men aannemen dat ten overstaan van Frankrijk, hier als referentie genomen, het Verenigd Koninkrijk jaarlijks 100 euro per inwoner en per jaar bespaart door het eenvoudige feit van het overwicht van het Engels. Dit vertegenwoordigt ongeveer 6 miljard euro per jaar. De besparing voor het geheel van de Engelstaligen van Europa is zelfs nog 400 miljoen euro hoger, als men er de zowat 4 miljoen aan toevoegt die verblijven in de Ierse republiek.

On fera ici

l’hypothèse qu’en cas d’adoption du « tout-à-l’anglais », les pays anglophones ne réduiraient pas davantage leur effort d’enseignement des langues étrangères, tandis que les autres États, dont la France prise ici comme référence, n’augmenteraient pas le leur ; tout au plus admettrait-on que la première langue étrangère serait obligatoirement l’anglais (comme le recommande le Rapport de la Commission du débat national sur l’avenir de l’École), mais que l’effort financier total ne serait pas modifié. C’est là une hypothèse forte, puisque l’adoption du « tout-àl’anglais » accroîtrait certainement la pression pour la généralisation de l’anglais précoce. Néanmoins, dans la mesure où cette évolution pourrait s’accompagner d’une désaffection envers les autres langues étrangères, il n’est pas déraisonnable d’admettre, pour les besoins de cette étude, que le total resterait inchangé. Dès lors, on conservera, comme estimation (prudente) de la dépense pour l’enseignement des langues étrangères en France et au Royaume-Uni, en cas de « tout-à-l’anglais », les sommes de:

<img style="width: 267px; height: 89px;" alt=""

src="Grin06For05.jpg">
Men zal hier de hypothese

stellen dat in geval van aanname van “alles in ’t Engels”, de Engelstaligen niet verder hun inspanningen zouden verminderen in het onderwijs van vreemde talen, terwijl de andere staten, waaronder Frankrijk, hier als referentie genomen, de hunne niet zouden opdrijven; men zou ten hoogste aannemen dat de eerste vreemde taal verplicht het Engels zou zijn (zoals het Rapport van de Commissie van het nationale debat over de toekomst van de School het aanbeveelt), maar dat de totale financiële niet zou gewijzigd worden. Dat is een stoere hypothese, aangezien de aanname van “alles in ’t Engels” zeker de druk zou doen groeien voor de veralgemening van het vroeg Engels leren. Niettemin, in de mate waarin deze evolutie zou kunnen gepaard gaan met een afkeer van de andere vreemde talen, is het niet onredelijk aan te nemen ten gerieve van deze studie, dat het totaal zou ongewijzigd blijven. Dus zal men als (voorzichtige) schatting voor de uitgaven voor het onderwijs van vreemde talen in Frankrijk en in het Verenigd Koninkrijk, ingeval van “alles in ’t Engels”, de sommen behouden van:
<img style="width: 267px; height: 89px;" alt="" src="Grin06For05.jpg">

Qu’en est-il des

autres scénarios ? À nouveau, la complexité de la comparaison va nous conduire à quelques simplifications fortes, dont l’essentiel a été exposé plus haut dans cette même section, notamment en ce qui concerne l’introduction de l’espéranto comme première langue étrangère. On admettra en outre que dans le scénario 2 (plurilinguisme), tous les pays font le même effort d’apprentissage des langues étrangères. Dans un scénario de plurilinguisme pur, on y lirait le résultat d’un positionnement égalitaire de tous les États membres. Dans la forme particulière de plurilinguisme que nous avons dû supposer afin d’être certains que l’apprentissage d’un nombre raisonnable de langues étrangères garantit toujours l’intercompréhension, il en va un peu différemment: en effet, les personnes de langue maternelle anglaise, française ou allemande pourraient se contenter d’apprendre une seule langue étrangère (faisant nécessairement partie de ce trio) pour avoir, au même titre que les autres résidents européens, la maîtrise de deux des trois langues du trio ; cette condition garantit l’intercompréhension directe dans tout sous-groupe d’Européens tirés au hasard, quel que soit leur nombre et leurs répertoires linguistiques. Pour simplifier, on admettra que le scénario du plurilinguisme suppose que même le Royaume-Uni, l’Irlande, la France, la Belgique francophone, le Luxembourg, l’Allemagne et l’Autriche enseignent deux langues étrangères à leurs résidents, en application du modèle « 1+2 » que recommandent Bruxelles et Strasbourg. On supposera donc ici que l’on en étudiera dans toute l’Europe au moins deux langues étrangères, partout avec le même degré d’efficience, c’est-à-dire avec la même dépense par tête pour le même résultat. On obtient donc (pour deux langues étrangères, c’est-à-dire en faisant abstraction de la

possibilité d’en enseigner davantage):
Hoe zit het met de andere

scenario’s? Eens te meer zal de ingewikkeldheid van de vergelijking ons leiden tot enkele sterke vereenvoudigingen, waarvan het essentiële hoger aangetoond werd in deze zelfde sectie, namelijk voor wat het invoeren van het Esperanto als eerste vreemde taal betreft. Men zal bovendien aannemen dat in scenario 2 (meertaligheid) alle landen dezelfde inspanningen doen voor het aanleren van vreemde talen. In een scenario van zuivere meertaligheid, zou men daar het resultaat lezen van een gelijkgerechtigde positie van alle lidstaten. In de bijzondere vorm van meertaligheid, die we hebben moeten veronderstellen om er zeker van te zijn dat het aanleren van een redelijk aantal vreemde talen altijd de onderlinge verstaanbaarheid garandeert, gaat het een beetje anders: in feite zouden de personen met moedertaal Engels, Frans of Duits zich kunnen tevreden stellen één enkele vreemde taal te leren (die noodzakelijkerwijze moet deel uitmaken van dit drietal) om op dezelfde voet als de andere Europese inwoners de beheersing te hebben van twee talen van het drietal; deze voorwaarde garandeert de directe onderlinge verstaanbaarheid in elke sub-groep van willekeurig genomen Europeanen, welke ook hun aantal en hun taalrepertoria mogen zijn. Om te vereenvoudigen zal men aannemen dat het scenario van meertaligheid veronderstelt dat ook het Verenigd Koninkrijk, Ierland, Frankrijk, Franstalig België, Lŭemburg, Duitsland en Oostenrijk twee vreemde talen onderwijzen aan hun inwoners, in toepassing van het model “1+2”, dat  Brussel en Straatsburg aanbevelen. Men zal hier dus veronderstellen dat men in heel Europa ten minste twee vreemde talen zal leren, overal met dezelfde mate van effectiviteit, dat wil zeggen met dezelfde uitgave per hoofd voor hetzelfde resultaat. Men bekomt dus (voor twee vreemde talen, dat wil zeggen de mogelijkheid er meer te leren buiten beschouwing gelaten):

<img

style="width: 374px; height: 80px;" alt="" src="Grin06For06.jpg">

<img

style="width: 374px; height: 80px;" alt="" src="Grin06For06.jpg">

Il saute donc aux yeux que

même avec les hypothèses très prudentes retenues tout au long de notre raisonnement, la France aurait tout intérêt à encourager le scénario 3, qui lui ferait économiser plus de 4 milliards d’Euros par année ; les autres États européens y gagneraient également, dans une mesure qui est bien entendu fonction de leurs effectifs scolaires ; tandis que le Royaume-Uni, bien évidemment, n’y aurait aucun avantage, car voir sa langue nationale mise sur le même pied que le français et l’allemand lui coûterait plus de 6 milliards d’Euros de plus par année dans l’hypothèse du plurilinguisme (scénario 2), et près de 2 milliards d’Euros de plus par année dans l’hypothèse d’un passage généralisé à l’espéranto (scénario

3).
Het valt op dat zelfs met de

zeer voorzichtige hypothesen, aangeouden in heel onze redenering, Frankrijk er alle belang zou bij hebben scenario 3 aan te moedigen, dat zou leiden tot eeen besparing van meer dan 4 miljard euro per jaar; de andere Europese staten zouden er ook bij winnen, in een mate die wel te verstaan functie is van hun schooleffectieven; terwijl het Verenigd Koninkrijk, er natuurlijk geen enkel voordeel zou bij hebben want het zou nationale taal op gelijke voet zien komen als het Frans en het Duits, wat het meer dan 6 miljard euro per jaar meer zou kosten in de hypothese van de meertaligheid (scenario 2) en bijna 2 miljard euro meer per jaar in de hypothese van een algemene overgang naar het Esperanto (scenario 3).

Produit du réinvestissement dans l’éducation

 Les montants ainsi épargnés par les pays de langue anglaise peuvent être réinvestis ailleurs dans la formation et la recherche ; cet investissement produit un certain rendement. Étant donné que les placements hors risques génèrent une rentabilité moyenne de 3 à 5%, et que les analyses coût-bénéfice supposent en général un coût d’opportunité du capital de 10%, on retiendra ici un taux de rendement de 7% comme solution moyenne. Ce taux, appliqué à l’économie de € 6 md estimée plus haut, dégage une rente annuelle de l’ordre de 420 millions d’Euros.[77] Nous sommes à présent en mesure de rassembler les différents éléments calculés

jusqu’ici pour une comparaison d’ensemble des trois scénarios.

Resultaat van de herinvestering in de opleiding

De bedragen, zo bespaard door de Engelstalige landen, zouden elders kunnen herinvesteerd worden in vorming en opzoekingen; deze investering levert een zeker rendement op. Gegeven dat plaatsingen zonder risico een gemiddelde rendabiliteit van 3% tot 5% opbrengen, en dat de kost-winst analyses in het algemeen een opportuniteitskost van het kapitaal van 10% veronderstellen, zal men hier een rendementspercentage van 7% weerhouden als gemiddelde oplossing. Dit percentage, toegepast op een eerder geschatte besparing van 6 miljard euro, levert een jaarlijkse rente van orde van 420 miljoen euro.[77] We zijn nu in staat de verschillende tot hiertoe berekende elementen te verzamelen voor een

groepsvergelijking van de drie scenario’s.

6.6 Bilan comparatif

6.6 Vergelijkende  balans

Livrons-nous d’abord

à une petite addition: le total cumulé des avantages que retire le Royaume-Uni de la préséance actuelle de l’anglais est résumé dans le

tableau 5:
We maken eerst een kleine

optelling: het gecumuleerde totaal van de voordelen die het Verenigd Koninkrijk haalt uit de huidige overheersing van het Engels wordt samengevat in tabel 5:.

<img

style="width: 518px; height: 1077px;" alt="" src="Grin06tab5.jpg">

 
<img

style="width: 518px; height: 1077px;" alt="" src="Grin06tab5.jpg">

TABEL 5: NETTO JAARLIJKSE OVERDRACHTEN TEN VOORDELE VAN HET VERENIGD KONINKRIJK IN MILJOEN EURO, 2002-2004
POST DIRECT BEDRAG VERMENIGVULDIGINGSEFFECT OF OPGEBRACHTE RENTE Geprivilegieerde markten 1.875 5.156 à 6.750 Besparing op inspanningen voor vertaling en vertolking 2.200 154 Besparing in het onderwijs van vreemde talen 6.000 420 Total 10.075 5.730 à 7.324  {109}

a: Als er twee sommen staan komt het eerste uit de toepassing van een vermenigvuldiger van 2,75 op de rechtstreeks geschatte som; de tweede is gebaseerd op de totale som vermeld door Phillipson na aanpassingen (2003:77). bb

En termes de rentrées nettes ou

de dépenses évitées (« Montant direct » dans le tableau 5), la préséance actuelle de l’anglais rapporte actuellement au Royaume-Uni

plus de 10 milliards d’Euros annuels.
In termen van netto inkomsten of

vermeden uitgaven (“Rechtstreeks bedrag” in tabel 5), brengt de huidige overheersing van het Engels tegenwoordig aan het Verenigd Koninkrijk meer dan 10 miljard euro per jaar op.

Par contre, on

pourrait aussi se baser, pour l’estimation des marchés privilégiés, non pas sur le montant direct des dépenses évaluées sur la base des informations du British Council, mais sur l’estimation officielle du gouvernement britannique (soit quelque € 13 md au début des années 2000, qui représenteraient sans doute plus de € 15 md actuellement, mais que nous avons proposé d’évaluer, très prudemment, à € 6.75 md au titre des marchés privilégiés dans un contexte spécifiquement européen). Pour prendre la pleine mesure des avantages que retire le Royaume-Uni de cette situation, on peut en outre rappeler que les montants épargnés sur la communication et sur l’enseignement des langues étrangères dégagent une forme de rente annuelle de l’ordre de 574 millions d’Euros. Dans ce cas, le montant total de la valeur que représente actuellement, pour le Royaume-Uni, la préséance de l’anglais, est de l’ordre de € 17,399 md. Là aussi, l’estimation reste basée sur une utilisation prudente des données disponibles On peut donc raisonner avec une fourchette allant de 10 à 17 milliards d’Euros annuels, selon que l’on tient compte ou pas d’effets multiplicateurs et du rendement des montants que le principal pays anglophone d’Europe peut actuellement économiser. À titre de comparaison, le budget du gouvernement central britannique s’élevait, en 2003-2004, à quelque 400 milliards de livres[78], soit environ 584 milliards d’Euros. Le PIB nominal britannique s’élevait en 2004, quant à lui, à environ 1710 milliards d’Euros[79] ; environ 1 % de ce total est donc imputable à la dominance

actuelle de l’anglais.
Anderzijds zou men zich ook

kunnen baseren, voor de schatting van de geprivilegieerde markten, niet op het directe bedrag van de geschatte utgaven op basis van de informaties van British Council, maar op de officiële schatting van de Britse regering (hetzij zowat 13 miljard euro in het begin van de jaren 2000, die zonder twijfel vandaag meer dan 15 miljard zouden vertegenwoordigen, maar die we zeer voorzichtig geschat hebben op 6,75 miljard inzake de geprivilegieerde markten in een specifiek Europese context). Om de volle maat te nemen van de voordelen, die het Verenigd Koninkrijk uit deze toestand haalt, kan men er bovendien aan herinneren dat de bedragen, bespaard op de communicatie en het onderwijs in vreemde talen een vorm van jaarlijkse rente opleveren van de orde van 574 miljoen euro. In dat geval vertegenwoordigt het totaal van de waarde van de overheersing van het Engels heden, voor het Verenigd Koninkrijk een bedrag van de orde van € 17,399 miljard euro. Ook daar blijft de schatting gebaseerd op een voorzichtig gebruik van de beschikbare gegevens. Men kan dus redeneren met een zone gaande van 10 tot 17 miljard euro per jaar, volgens dat men al dan niet rekening houdt met de vermenigvuldigingseffecten en het rendement van de bedragen die het bijzonderste Engelstalige land van Europa tegenwoordig kan besparen. Ter vergelijking: het budget van de centrale Britse regering beliep in 2003-2004 zowat 400 miljard pond[78], hetzij ongeveer 584 miljard euro. Het nominale Britse BNP beliep in 2004 alleen  ongeveer 1710 miljard euro[79]; ongeveer 1% van dit totaal is dus op rekening te brengen van de huidige overheersing

van het Engels
Ces ordres de

grandeur doivent, rappelons-le, s’entendre non compris tous les effets symboliques, des effets induits sur la diffusion de biens et services culturels en langue anglaise, et de la position privilégiée dont jouissent les locuteurs natifs de l’anglais dans les situations de négociation et de conflit, ce qui est inévitablement à l’origine d’autres bénéfices financiers. Cet état de fait est financé par les autres États, notamment européens (rappelons qu’on a tenté, dans les pages qui précèdent, de ne prendre en compte que les flux qui apparaissent dans le contexte des échanges intra-européens), qui acceptent en outre, pour cela, de doubler leurs factures

nationales pour l’enseignement des langues étrangères.
Deze grootteorden moeten

begrepen worden, we herhalen het, zonder inbegrip van alle symbolische effecten, zonder de geïnduceerde effecten op verdeling van goederen en culturele diensten in het Engels, en van de geprivilegieerde positie, waarvan de geboren Engelssprekenden genieten in situaties van onderhandeling en conflict, wat onvermijdelijk een bron is van andere financiële winsten. Deze toestand wordt in feite gefinancierd door de andere, met name Europese staten (we herinneren er aan dat men geprobeerd heeft in de voorgaande bladzijden, alleen maar de geldstromen in rekening te brengen, die verschijnen in de context van uitwisselingen binnen Europa), die bovendien aanvaarden daartoe hun nationale facturen voor het onderwijs van vreemde talen te verdubbelen.

L’hégémonie

linguistique est donc, sans aucun doute possible, grossièrement inéquitable. Rappelons à nouveau que ce n’est nullement la langue anglaise en tant que telle qui est en cause, mais bien l’hégémonie linguistique comme mode de fonctionnement, quelle que soit la langue au bénéfice de laquelle elle s’est établie. Il serait donc curieux de souhaiter la renforcer, comme le suggèrent tous ceux qui proposent d’accorder à une langue nationale (anglais ou autre) un statut de ce type. Un tableau synoptique (Tableau 6) permet de comparer d’un coup d’oeil les différentes options. Pour ce tableau, nous ne prenons en compte que la colonne des

« montants directs » du tableau 5.
De taalhegemonie is dus, zonder

enige mogelijke twijfel, grof onrechtvaardig. Laat het ons opnieuw in herinnering brengen, het is geenszins de Engelse taal als dusdanig die betrokken is, maar wel de taalhegemonie als manier van werken, welke ook de taal mag zijn in wiens voordeel ze ook ingesteld mag zijn. Het zou dus merkwaardig zijn deze nog te willen versterken, zoals al diegenen suggereren, die voorstellen aan een nationale taal (Engels of andere) een statuut van dat type toe te kennen. Een synoptische tabel (Tabel 6) laat toe in een oogopslag de verschillende opties te vergelijken. Voor deze tabel brengen we enkel de “rechtstreekse bedragen” van tabel 5 in rekening.

<img

style="width: 600px; height: 1225px;" alt="" src="Grin06tab6.jpg">

<img

style="width: 600px; height: 1225px;" alt="" src="Grin06tab6.jpg">
  TABEL 6: VERGELIJKING TUSSEN DRIE SCENARIO’S (Bedragen in miljoen euro, afgerond naar de hogere eenheid) SCENARIO EN TAALSITUATIE ALGEMENE EIGENSCHAPPEN TE ONDERWIJZEN VREEMDE TALEN UITGAVEN VAN ONDERWIJS VAN OVERDRACHTEN AAN HET LAND VAN DE HEGEMONIETAAL FRANSE BIJDRAGE (13%) TOT DE OVERDRACHTEN NETTO T.O.V HET SCENARIO 3 Scenario 1: “alles in ‘t Engels” Taalcommunicatie essentieel in het Engels; ongelijkberechtiging in het voordeel van de door geboorte sprekers van deze taal; groeiende risico’s op erosie op lange termijn van de taalkundige en culturele diversiteit. 1e LE: Engels 2e LE: Elke andere taal 8.235 10.075 1.310 5.428 Scenario 2: « Meertaligheid » Intertaalcommunicatie in diverse Europese talen, graviterend naar een klein aantal “grote” talen, namelijk de drie geprivilegieerde talen per hypothese (Engels-Frans-Duits) ; taalkundige en culturele diversiteit steviger, maar risico op instabiliteiten die strikte regelingen vereist om de communicatieve contexten te bevorderen voor de niet-overheersende talen, bijzonder in talen buiten het Engels. 1e LE (voor Frankrijk): Engels of Duits * 2e LE (voor Frankrijk): eender * Opm. 1: Eén uit de twee LE zou een Latijnse taal moeten zijn  Opm. 2: In het kader van dit onderwijs, een begrijpende bekwaamheid ontwikkelen in de andere Latijnse talen 8.235 verwaarloosbaar 0 4.118 Scenario 3: « Esperanto » Intertaalcommunicatie essentieel in Esperanto ; praktisch volledige gelijkberechtiging tussen sprekers van eender welke moedertaal. 1e LE: Esperanto 2e LE: eender 4.118 0 0 0b: voor de landen, wiens inwoners in meerderheid noch het Engels, noch het Frans, noch het Duits als moedertaal hebben, zouden de eerste en de tweede onderwezen vreemde talen moeten zijn, om te verzekeren dat het scenario 3
de onderlinge verstaanbaarheid in gelijke mate verzekeren zoals bij de

andere twee scenario’s, komen uit het drietal Engels-Frans-Duits.
Quelques commentaires peuvent aider à interpréter ce tableau. Enkele commentaren kunnen helpen bij de interpretatie van deze tabel.
◊ Le net avantage du

scénario espérantiste ne doit pas surprendre, puisqu’il reflète à la fois l’efficience de cette langue et son équité sans pareille. La prise en compte de l’équité dans le classement des scénarios devrait donc amener à retenir le scénario 2 ou 3. En effet, si le principe de différence rawlsien s’entend sous réserve d’une certaine garantie d’efficience, on voit que celle-ci n’est

aucunement servie par le scénario 1.
◊ Het netto voordeel van het

Esperantoscenario moet niet verrassen, aangezien het tegelijk de doelmatigheid van deze taal en zijn ongeëvenaarde billijkheid weergeeft. Het in rekening brengen van de rechtvaardigheid in het klassement van de scenario’s zou er dus moeten toe leiden scenario 2 of 3 te weerhouden. In feite, als het principe van het rawl-se verschil begrepen wordt onder voorbehoud van een zekere garantie van efficiëntie, ziet men dat dit geenszins gediend wordt door scenario 1

◊ La prise en compte

des valeurs non-marchandes amènerait à renforcer l’attrait du scénario 2, car celui-ci favorise la visibilité quotidienne de la diversité des langues et des cultures ; en revanche, il accuserait les défauts du scénario 1, car c’est

celui qui fait courir les plus grands risques d’uniformité.
◊ Het in rekening brengen van

niet-handelswaarden zou er toe leiden de aantrekkelijkheid van scenario 2 te versterken, omdat dit de dagelijkse zichtbaarheid van de taal- en cultuurdiversiteit bevordert; anderzijds zou het de fouten van scenario 1 aan de kaak stellen want het is dit, dat de grootste risico’s doet lopen van eenvormigheid.

◊ La prise en compte

explicite et séparée de dimensions symboliques, liées à l’ancrage historique et politique des cultures européennes (et dans la mesure où de telles dimensions n’auraient pas pu être saisies par le biais des valeurs non

marchandes), renforce ces conclusions.
◊ Het uitdrukkelijk en

afzonderlijk in rekening brengen van symbolische dimensies, gebonden aan de historische en politieke verankering van de Europese culturen (en naarmate dat dergelijk dimensies niet konden vervat worden bij de  niet handelswaarden), versterkt deze besluiten.

◊ Les montants

évalués ici portent sur une année de calendrier ; ils s’additionnent d’année en année, et renforcent une dynamique de plus en plus difficile à renverser, et dans laquelle ces montants eux-mêmes pèseront de plus en plus

lourd.
◊ De hier geschatte bedragen

slaan op een kalenderjaar; ze tellen zich jaar na jaar bij elkaar op, en versterken een steeds moeilijker om te keren dynamica, waarin deze bedragen zelf steeds zwaarder gaan wegen.

Si le scénario du «

tout-à-l’anglais » se révèle, vérification faite, le plus coûteux et le moins équitable des trois, comment se fait-il qu’il continue à recueillir une telle adhésion ? Comment expliquer qu’une alternative préférable au plan de l’efficience et de l’équité ne soit jamais sérieusement envisagée ? Quelles orientations peuventelles être envisagées à court et à long terme, compte tenu des résultats obtenus jusqu’ici ? Telles sont les questions qu’aborde le septième et dernier

chapitre.
Als, na kontrole,het scenario

“alles in ’t Engels” het duurste en minst rechtvaardige blijkt van de drie, hoe komt het dan, dat het verder een dergelijke aanhang blijft hebben? Hoe is het uit te leggen dat een alternatief, dat de voorkeur verdient op vlak van efficiëntie en billijkheid nooit ernstig overwogen wordt? Welke oriëntaties kunnen voorzien worden op korte en op lange termijn, rekening houdend met de tot hiertoe bekomen resultaten? Dat zijn vragen die het zevende en laatste hoofdstuk aanpakt.

53 La littérature

parle tantôt de « plurilinguisme », tantôt de « multilinguisme ». Selon les auteurs, la distinction entre les deux termes n’est pas la même. Pour certains, le « multilinguisme » renvoie à une notion générale de diversité des langues, sans identification des langues qui constituent cette diversité, tandis que le « plurilinguisme » suppose une diversité dénombrable, c’est-à-dire que le nombre de langues en présence est spécifié. Pour d’autres auteurs, le multilinguisme est une compétence individuelle, tandis que le plurilinguisme désigne la diversité des langues en présence dans l’espace social. Pour les besoins de cette étude, on adoptera cette dernière convention, de sorte que le scénario 2 s’appellera « plurilinguisme » ; il est clair, toutefois, que son fonctionnement exigera le multilinguisme des individus, sous réserve d’une offre omniprésente et bon marché de services de

traduction et d’interprétation.
53 De literatuur spreek nu eens

over “meertaligheid”, dan eens over ”veeltaligheid”. Het onderscheid tussen de twee termen verschilt naargelang de auteurs. Voor sommigen, verwijst “veeltaligheid” naar een algemeen begrip van diversiteit van talen, zonder identificatie van de talen die deze diversiteit uitmaken, terwijl de “meertaligheid” een aftelbare diversiteit veronderstelt, dat wil zeggen dat het aantal aanwezige talen gespecificeerd wordt. Voor andere auteurs is de veeltaligheid een individuele bekwaamheid, terwijl de meertaligheid de diversiteit van de talen, aanwezig in de sociale ruimte tekent. Voor de noden van deze studie zal men deze laatste afspraak aannemen, zodat het scenario 2 zal heten “meertaligheid”; het is in ieder geval duidelijk dat zijn werking de veeltaligheid van de individuen zal vereisen, onder voorbehoud van een overal aanwezig en goedkoop aanbod van vertaal- en tolkdiensten.

54 On a ici supposé

que N=20, bien que le nombre de langues officielles soit appelé à passer à 21, compte tenu de l’accès de l’irlandais, le 1er janvier 2007, au même statut d’officialité que les 20 autres langues nationales (Journal officiel de l’Union européenne, L 156 du 18 juin 2005, pp. 3-4). On a donc admis ici que toutes les personnes de langue maternelle irlandaise continuent à apprendre l’anglais au même âge et en activant les mêmes processus cognitifs que les personnes de langue maternelle

anglaise.
54 Men heeft hier verondersteld

dat N=20, hoewel het aantal officiële talen zal overgaan naar 21, rekening houdend met het bijkomen van het Iers op 1 januari 2007 met hetzelfde officiële statuut als de andere 20 nationale talen (Officieel Blad van de Europese Unie, L156 van 18 juni 2005, blz. 3-4). Men heeft hier dus aangenomen dat alle personen met moedertaal Iers, Engels blijven leren op dezelfde leeftijd en volgens

dezelfde leerprocessen als de personen met Engels als moedertaal.
55 Toutefois,

pendant une période transitoire de 30 mois courant à partir du 1er mai 2004, des mesures dérogatoires prolongeables pour une année au maximum s’appliquent à la langue maltaise. Celle-ci, bien qu’officielle, ne sera pas systématiquement utilisée par les instances de l’Union, en attendant que des traducteurs et interprètes pour le maltais soient formés en nombre suffisant (Journal officiel de

l’Union européenne L 169 du 1er mai 2004, pp. 1-2).
55 Nochtans, gedurende een

overgangsperiode van 30 maand aanvangende op 1 mei 2004 zijn afwijkende maatregelen, verlengbaar voor maximum één jaar, van toepassing op de Maltese taal. Deze, hoewel officieel, zal niet systematisch gebruikt worden door de instanties van de Unie, in afwachting dat de vertalers en tolken voor het Maltees in voldoende aantal zullen gevormd zijn (Officieel Blad van de Europese Unie L169 van 1 mei 2004, blz. 1-2).

56 Journal officiel

de l’Union européenne L 58 du 28 février 2003, p.

109.
56 Officieel Blad van de Europese Unie L58 van 28 februari 2003, blz. 109.
57 Cette estimation

n’est pas affectée par la possibilité que le groupe de 20 personnes tirées au hasard parmi les 32.000 fonctionnaires comporte des sous-groupes de 2 à 20 individus ayant la même

langue maternelle.
57 Deze schatting wordt niet

beïnvloed door de mogelijkheid dat de groep van 20 personen, willekeurig genomen uit de 32.000 ambtenaren

sub-groepen omvat van 2 tot 20 individuen met dezelfde moedertaal.
58 À ce propos,

Bourdieu (Bourdieu et al., 2001: 46 ss.) observe: « Quand on parle de langues, pour dire les choses simplement, il s’agit toujours aussi d’autre chose. La langue n’est pas seulement un instrument de communication […] Les systèmes symboliques ne sont pas simplement des instruments d’expression de la réalité, mais il contribuent à la construction du réel […] Et il faut réfléchir […] pour voir si et comment il est possible d’accepter l’usage de l’anglais sans s’exposer à être anglicisé dans ses structures mentales, sans avoir le cerveau lavé par les routines

linguistiques ».
58 Daarover merkt Bourdieu

(Bourdieu et al., 2001: 46 ss.) op: “Als men over talen spreekt, om de dingen eenvoudig te zeggen, gaat het ook over iets anders. De taal is niet alleen een instrument voor communicatie [...] De symbolische systemen zijn niet eenvoudig instrumenten om de realiteit uit te drukken, maar ze dragen bij tot de constructie van de werkelijkheid [...] En men moet nadenken [...] om te zien of en hoe het mogelijk is het gebruik van het Engels te aanvaarden, zonder zich bloot te stellen aan verengelsing in zijn mentale structuren, zonder een hersenspoeling te krijgen door de taalroutines”.

59 L’étude de

l’utilisation de langues planifiées artificielles comme solution aux problèmes de la communication internationale est l’objet de l’interlinguistique, qui se réclame d’une tradition qui remonte à Comenius, Descartes et Leibniz. Pour une introduction générale à la littérature scientifique

dans le domaine, voir Blanke (2003).
59 De studie van het gebruik van

kunstmatige plantalen als oplossing voor de internationale communicatie is het voorwerp van de interlinguïstiek, die een traditie opeist, teruggaande tot Comenius, Descartes en Leibniz. Voor een algemene inleiding tot de

wetenschappelijke literatuur op dit terrein, zie Blanke (2003).
60 Voir Haszpra

(2004) pour des estimations basées sur la valeur horaire du travail. En comparant le fardeau fiscal par tête résultant d’une politique d’enseignement généralisé d’une langue étrangère, Haszpra obtient un ration de 1 à 10 selon qu’il s’agit de l’espéranto ou de l’anglais. Dans un scénario à deux langues étrangères (espéranto plus une deuxième langue étrangère ou deux langues naturelles, dont probablement l’anglais en premier lieu), il aboutit à une charge fiscale annuelle par tête de € 312 et de € 925 respectivement, soit une ratio de 1:2,96, ce qui converge de façon

remarquable avec nos propres résultats.
60 Zie Haszpra (2004) voor de

schattingen gebaseerd op de uurwaarde van het werk. Door vergelijking van de fiscale last per hoofd, voortkomende uit een veralgemeende onderwijspolitiek van een vreemde taal bekomt Haszpra een ratio van 1 tot 10 naargelang het gaat over Esperanto of Engels. In een scenario met twee vreemde talen (Esperanto en een tweede vreemde taal of twee natuurlijke talen, waarvan waarschijnlijk het Engels in de eerste plaats), komt hij tot een jaarlijkse fiscale last per hoofd van respectievelijk € 312 en van € 925 , hetzij een ratio van 1:2,96, wat opmerkelijk overeenstemt met onze eigen resultaten.

61 Voir http://www.britishcouncil.org/english/engfaqs.htm#econben. 61 Zie http://www.britishcouncil.org/english/engfaqs.htm#econben.
62 Source: http://www.statistics.gov.uk. 62 Bron: http://www.statistics.gov.uk.
63 Il est

indispensable d’insister sur le fait que ces estimations sont certainement inférieures à la réalité. Ainsi, le British Council indique que l’économie britannique gagne annuellement 11 milliards de livres sur le marché international de l’éducation. Il est fort probable que ce montant serait considérablement moins élevé si l’anglais ne bénéficiait pas d’une position privilégiée. Voir

www.britishcouncil.org/mediacentre/apr04/vision_2020_press_notice.doc.
63 Het is noodzakelijk aan te

dringen op het feit dat deze schattingen zeker onder de werkelijkheid liggen. Zo duidt de British Council aan dat de Britse economie jaarlijks 11 miljard pond verdient aan boeken op de internationale markt van de opleiding. Het is zeer waarschijnlijk dat dit bedrag aanmerkelijk minder hoog zou zijn als het Engels niet profiteerde van een geprivilegieerde positie. Zie

www.britishcouncil.org/mediacentre/apr04/vision_2020_press_notice.doc.
64 La page Internet

du gouvernement britannique signalée par Phillipson (2003) comme source de ce chiffre n’est actuellement plus accessible ; il n’a donc pas été possible de vérifier quelle méthode a été employée pour arriver à ce montant, ni à quelle période il s’applique. Il va de soi que dans une étude plus approfondie, les différents chiffres mentionnés dans cette section

devront être réexaminés.
64. De Internet website van de

Britse regering, aangegeven door Phillipson (2003) als bron van dit cijfer, is tegenwoordig niet meer toegankelijk; het is dus niet mogelijk geweest te controleren welke methode gebruikt werd om tot dit bedrag te komen, noch op welke periode het van toepassing is. Het spreekt vanzelf dat in een verder uitgewerkte studie de verschillende vermelde cijfers opnieuw zullen

moeten onderzocht worden.
65 Cependant, on

omet de l’estimation la valeur de cet effet pour l’Irlande ; un ajout de 5%, correspondant au rapport entre les populations résidentes respectives de l’Irlande et du Royaume-Uni,

serait toutefois envisageable.
65 Nochtans gaat men voorbij aan

de schatting van de waarde van dit effect voor Ierland; een toevoeging van 5%, overeenkomstig de verhouding tussen de inwonende bevolking respectievelijk van Ierland en van het Verenigd Koninkrijk, zou in elk geval te overwegen zijn.

66 Source: http://www.statistics.gov.uk/StatBase/Product.aspo=vlnk=613 66 Bron: http://www.statistics.gov.uk/StatBase/Product.aspo=vlnk=613
67 À titre

d’illustration, rappelons que sur six ans, soit de 1997 à 2002, la part du français comme langue de rédaction d’origine des documents du Conseil de l’Union européenne est passée de 42% à 18%, tandis qu’elle passait, pour l’anglais, de 41% à 73% (Secrétariat général du Conseil de l’Union

européenne, cité par Durand, 2004).
67 Ter illustratie vermelden we

dat in zes jaar, hetzij van 1997 tot 2002, het aandeel van het Frans als oorspronkelijke taal voor het opstellen van de documenten van de Raad van de Europese Unie van 42% naar 18% overgegaan is, terwijl die voor het Engels van 41% naar 73% gegaan is (Secretariaat van de Raad van de Europese Unie, aangehaald

door Durand, 2004)
68 C’est là le point

crucial omis par la représentation suédoise à la Commission européenne, qui avait proposé que si un État souhaite disposer de documentation ou de communication orale dans sa langue, il prenne en charge les frais de traduction et d’interprétation correspondants. Bien évidemment, cela soulève la question de la langue dans laquelle les messages sont initialement émis,

et de quel droit…
68 Dat is het cruciale punt,

verzuimd door de Zweedse vertegenwoordiging bij de Europese Commissie, die voorgesteld had dat, indien een staat wenst te beschikken over documentatie of mondelinge communicatie in zijn taal, het de overeenkomstige vertaal- en vertolkingkosten ten laste moet nemen. Natuurlijk stelt dat de vraag naar de taal, waarin de berichten aanvankelijk uitgegeven worden, en

met welk recht...
69 Source:

http://epp.eurostat.cec.eu.int/portal/ page?_pageid=1996,39140985&_dad=portal&_schema=PORTAL &screen=detailref&language=fr&product=Yearlies_new_economy &root=Yearlies_new_economy/B/B1/

B11/daa10000
69 Bron:

http://epp.eurostat.cec.eu.int/portal/ page?_pageid=1996,39140985&_dad=portal&_schema=PORTAL &screen=detailref&language=fr&product=Yearlies_new_economy

&root=Yearlies_new_economy/B/B1/ B11/daa10000
70 L’OFIL publie la

Tribune des industries de la langue et du multimédia ; voir S. Abou, 1999: « Du marché global de la traduction à celui de la traduction scientifique et technique… et à celui de la traduction avec outils »,

http://www.ofil.refer.org/tribune/n19/marche.htm, TILM n° 19.
70 OFIL publiceert de Tribune

van de Industrieën van de Taal en de Multimedia; zie S. Abou, 1999: “Over de globale markt van de vertaling tot die van de wetenschappelijke en technische vertaling... en die van de vertaling met hulpmiddelen”,

http://www.ofil.refer.org/tribune/n19/marche.htm, TILM n° 19.
71 La question de

l’effet multiplicateur, soulevée à propos des marchés privilégiés, pourrait également se poser ici. Cependant, rien n’indique que l’essentiel de ce travail de traduction et d’interprétation ait lieu en Grande-Bretagne ou en Irlande. Par conséquent, on ne peut pas faire l’hypothèse que les montants résultant d’un effet d’entraînement constituent des transferts dans une direction ou une

autre.
71 De vraag over het

vermenigvuldigingseffect, gesteld naar aanleiding van de geprivilegieerde markten, zou ook hier kunnen gesteld worden. Nochtans wijst niets er op dat het essentiële van dit vertaal- en tolkwerk in Groot Brittanië of in Ierland zou plaatsvinden. Bijgevolg kan men geen hypothese maken, dat de bedragen als resultaat van een meesleepeffect, overdrachten betekenen in een of andere richting.

72 Compte tenu de

l'accroissement démographique de 2,4% enregistré entre les années 1999-2000 et

2003-2004.
72 Rekening houdend met de

demografische groei van 2,4% opgetekend in de jaren 1999-2000 en 2003-2004.

73 Source:

[http://epp.eurostat.cec.eu.int/portal/ page?_pageid=1996,39140985&_dad=portal&_schema=PORTAL
&screen=detailref&language=fr&product=Yearlies_new_population
&root=Yearlies_new_population/C/C1/C11/caa10000 caa10000] .

73 Bron:

[page?_pageid=1996,39140985&_dad=portal&_schema=PORTAL
&screen=detailref&language=fr&product=Yearlies_new_population

&root=Yearlies_new_population/C/C1/C11/caa10000 caa10000] .
74 Source: http://www.cilt.org.uk/key/trends2004survey.pdf. 74 Bron: http://www.cilt.org.uk/key/trends2004survey.pdf.
75 Source:

http://www.eurydice.org/Eurybase/Application/

frameset.asp?country=UK&language=VO .
75 Bron:

http://www.eurydice.org/Eurybase/Application/

frameset.asp?country=UK&language=VO
76 Source: http://www.dfes.gov.uk/rsgateway/DB/VOL/v000538/ed_train_final.pdf. 76 Bron:

http://www.dfes.gov.uk/rsgateway/DB/VOL/v000538/ed_train_final.pdf.

77 Si l’on se place

non pas du point de vue des finances publiques, mais de l’économie dans son ensemble, on peut ajouter aux montants épargnés ceux qui résultent du moindre effort dans la traduction depuis et vers d’autres langues (€ 2,2 md par année). La rente ainsi dégagée chaque

année se monte alors à 574 millions d’Euros.
77 Als men zich plaatst, niet op

het standpunt van openbare financiën, maar van de economie in haar geheel, kan men aan de gespaarde bedragen die toevoegen, welke voortkomen uit de mindere inspanning in het vertalen van en naar andere talen (2,2 miljard euro per jaar). De zo vrijgemaakte rente loopt zo elk jaar op tot 574 miljoen euro.

78 Source: http://www.statistics.gov.uk/pdfdir/psa0604.pdf . 78 Bron:

http://www.statistics.gov.uk/pdfdir/psa0604.pdf .

79 Source:

http://epp.eurostat.cec.eu.int/portal/
page?_pageid=1996,39140985&_dad=portal&_schema=PORTAL &screen=detailref&language=fr &product=Yearlies_new_economy&root=Yearlies_new_economy/B/B1/

B11/daa10000
79 Bron:

http://epp.eurostat.cec.eu.int/portal/
page?_pageid=1996,39140985&_dad=portal&_schema=PORTAL &screen=detailref&language=fr &product=Yearlies_new_economy&root=Yearlies_new_economy/B/B1/

B11/daa10000