GRINNL02

El UEA-vikio
Revizio de 10:17, 27 Jun. 2010 fare de Amiko1 (Diskuto | kontribuoj) (2 versioj)

(malsamoj) ← Antaŭa versio | Rigardi nunan version (malsamoj) | Sekva versio → (malsamoj)
Iri al: navigado, serĉi

CHAPITRE 2 POLITIQUE LINGUISTIQUE, POLITIQUE PUBLIQUE ET LANGUES ÉTRANGÈRE

HOOFDSTUK 2 TAALPOLITIEK, PUBLIEKE POLITIEK EN VREEMDE TALEN

2.1 Qu’est-ce que la politique linguistique ?

La « politique linguistique » ou « l’aménagement linguistique » est le champ de recherche théorique et empirique le plus directement en prise avec les questions que soulève la définition d’une politique d’enseignement des langues. Commençons par préciser que nous ne ferons pas, dans les pages qui suivent, de différence très nette entre la politique et l’aménagement linguistique, car la distinction entre ces deux termes n’est pas stable dans la littérature. 4 Même si la plupart des auteurs en sociolinguistique francophone tendent à préférer l’un ou l’autre terme, la distinction entre les deux n’est pas toujours la même selon les auteurs (Maurais, 1987 ; Calvet, 1987, 1996) ; on relève une préférence québécoise pour « l’aménagement », mais elle n’est pas stricte. De même, la sociolinguistique anglophone parle de language policy et de language planning (Jernudd, 1983, 2001 ; Schiffman, 1996 ; Kaplan et Baldauf, 1997 ; Ricento, 2006), sans pour autant distinguer clairement entre elles.5 Cependant, au cours des dernières années, les termes de politique et de policy sont davantage à l’avant-scène, surtout s’il est question, comme dans cette étude, des grandes orientations de politique publique avec la nécessaire pesée des alternatives que cela implique. Cependant, même si les termes d’aménagement et de planning semblent être souvent réservés à des questions, parfois relativement techniques, touchant à la mise en oeuvre des orientations à caractère plus général qui relèvent, elles,

de la politique linguistique, la distinction n’est pas absolue.6

2.1 Wat is taalpolitiek?


"Taalpolitiek" of "taalplanning" is het terrein van theoretisch en empirisch onderzoek, dat het meest rechtstreekse verband heeft met de vragen, gesteld voor de bepaling van een taalonderwijspolitiek. Laat ons beginnen met duidelijk te stellen dat we in de volgende bladzijden geen duidelijk onderscheid zullen maken tussen taalpolitiek en taalplanning, omdat zulk onderscheid tussen deze twee termen niet vastligt in de literatuur 4. Ook al heeft de meerderheid van de Franstalige auteurs in sociolinguïstiek een voorkeur voor de ene of de andere term, afhankelijk van de auteurs is het onderscheid tussen de twee niet altijd hetzelfde  (Maurais, 197; Calvet, 1987, 1996); men stelt een voorkeur vanwege Quebec vast voor "planning", maar die is niet strikt. Ook de Engelstalige sociolinguïstiek spreekt over taalpolitiek en taalplanning (Jernudd, 1983, 2001; Schiffman, 1996; Kaplan en Baldauf, 1997; Ricento, 2006 XXX), evenwel zonder duidelijk onderscheid ertussen. 5 Nochtans, in de loop van de laatste jaren, staan de termen politics en policy meer op het voorplan, vooral als het, zoals in deze studie, gaat over de grote richtingen van een publieke politiek met de nodige afweging van de alternatieven, die dat meebrengt. Nochtans, zelfs als de termen plannen of "planning" vaak voorbehouden schijnen aan soms betrekkelijk technische kwesties, rakend aan de uitwerking van oriëntaties van meer algemene aard, voortkomend uit de taalpolitiek, is het onderscheid niet absoluut. 6

Il n’est peut-être

pas inutile de rappeler ici le sens dans lequel doit être pris le mot « politique » : il correspond au même concept que l’anglais policy, par opposition à l’anglais politics. Même si cette distinction n’est pas parfaitement nette – et qu’on puisse même citer quelques contre-exemples – il reste que lorsqu’on parle de politics, il s’agit en général de ce qu’on appelle, en français, faire de la politique. Ceci renvoie à la confrontation d’intérêts et de valeurs dans un certain contexte social et institutionnel. Quand on parle de policy, en revanche, on suppose que le débat politique a déjà débouché sur un certain nombre de principes, et que la question est de savoir quelles mesures permettront le mieux de les mettre en oeuvre. C’est à cette étape que se pose le problème de la pesée du pour et du contre des différentes options en présence, et c’est à ce niveau que l’on situera,

pour les besoins de cette étude, la politique linguistique.
Het is

misschien niet zonder nut hier de zin te herhalen, volgens dewelke het woord "politiek" moet opgevat worden. Het komt overeen met hetzelfde concept als het Engelse policy, in tegenstelling met het Engelse politics. Ook als dit onderscheid niet perfect duidelijk is - en men zelfs tegenvoorbeelden zou kunnen aanhalen – blijft, dat wanneer men over politics spreekt, het over het algemeen gaat over wat men in het Frans noemt "aan politiek doen". Dit verwijst naar de confrontatie van belangen en van waarden in een bepaalde sociale en institutionele context. Wanneer men in tegendeel spreekt van policy, dan veronderstelt men dat het politieke debat reeds tot een zeker aantal principes gekomen is en dat de kwestie is, te weten welke maatregels best zullen toelaten die uit te werken. Het is in deze fase dat zich het probleem stelt van het afwegen van het voor en tegen van de verschillende betreffende opties, en het is op dat niveau dat men de taalpolitiek zal

plaatsen voor de noden van deze studie.
La politique

linguistique se résume-t-elle alors à une banale analyse coût-bénéfice (ACB) ? Sans doute pas, dans la mesure où l’ACB porte en général sur des projets aux conséquences moins diffuses que ce n’est le cas lorsqu’il est question de langues ; l’ACB traditionnelle se contente en général d’identifier et de comptabiliser des effets assez directement mesurables puis d’en déduire, pour chaque scénario en présence, une valeur nette ; le scénario à adopter est alors celui qui présente la valeur nette la plus élevée (Dunn, 1994). En politique linguistique, par contre, on ne peut éviter de mettre dans la balance des éléments d’évaluation très complexes et difficilement, voire pratiquement pas quantifiables : dans la mesure où la langue n’est pas qu’un instrument de communication, mais aussi le véhicule d’une culture, d’une histoire et d’une identité, il est évident que des enjeux symboliques sont présents, et peuvent même être prépondérants. Ceci invalide-t-il toute approche de la politique linguistique en termes de pesée des avantages et des inconvénients ? Certes pas, car l’identification et, dans la mesure du possible, la mesure de ces avantages et inconvénients est une des conditions du débat démocratique. Ces avantages et inconvénients doivent toutefois être pris au sens le plus large, pour ne pas se cantonner aux valeurs dites « marchandes » (cf. sections 2.2 et 2.3) ; il est également indispensable de prendre en compte non seulement le champ de l’efficience, mais aussi celui de l’équité, et pour cela d’intégrer à l’analyse les conséquences distributives de chaque scénario (cf. section 2.4). Bref, il s’agit d’une approche de politique publique qui ouvre largement l’éventail des éléments pris en compte

dans la pesée de scénarios concurrents.7
Beperkt de taalpolitiek zich dan

tot een banale kosten-baten (ABC) analyse? Ongetwijfeld niet, in de mate, waarin de ABC in het algemeen slaat op projecten met minder vage gevolgen dan wat het geval is wanneer het over talen gaat; de traditionele ABC stelt zich over het algemeen tevreden met het identificeren en berekenen van vrij meetbare effecten, en er dan voor elk betrokken scenario een netto waarde uit af te leiden; het aan te nemen scenario is dan datgene, dat de hoogste netto waarde biedt (Dunn, 1994). In taalpolitiek daarentegen kan men niet vermijden in de balans zeer complexe en moeilijk of zelfs helemaal niet kwantificeerbare waarderingselementen op te nemen: omdat een taal geen communicatiemiddel is, maar ook de drager van een cultuur, een geschiedenis en een identiteit, is het vanzelfsprekend dat er symbolische waarden in het spel zijn, die zelfs overwegend kunnen zijn. Verlamt dit elke benadering van de taalpolitiek in termen van afwegen van voor- en nadelen? Zeker niet, want de identificatie en - in de mate van het mogelijke, de meting van deze voor- en nadelen is één van de voorwaarden van het democratische debat. Deze voor- en nadelen moeten wel in de breedste zin genomen worden, om zich niet te beperken tot de waarden, die men "handelswaarden" noemt (zie secties 2.2 en 2.3); het is eveneens onmisbaar, niet alleen het terrein van de doeltreffendheid in rekening te brengen, maar ook dat van de billijkheid, en daartoe in de analyse de distributieve gevolgen van elke scenario op te nemen (zie sectie  2.4). Kortom het gaat over een benadering van publieke politiek die de waaier van de elementen, in rekening gebracht in de afweging van de concurrerende scenario's, breed opentrekt. 7 :

Dès lors,

l’ambition de toute analyse de politique linguistique de ce type (donc au sens de policy analysis) ne saurait être de se substituer au débat public ou de chercher à stériliser ou à neutraliser les dimensions politiques (au sens de politics) qui accompagnent nécessairement la politique des langues. Bien au contraire, la fonction de la politique linguistique telle que décrite ici est d’être au service du débat politique en éclairant les conséquences des choix envisagés. On peut situer ces différents termes les uns par rapport aux autres à l’aide de diagramme suivant :

Bijgevolg kan de ambitie van

elke taalpolitiek van deze soort (dus in de zin van policy analysis) niet zijn, zich in de plaats te willen stellen van het publieke debat of de politieke dimensies (in de zin van politics), die noodzakelijkerwijze gepaard gaan met de taalpolitiek, proberen te steriliseren of te neutraliseren. Integendeel, de functie van de taalpolitiek, zoals hier beschreven is, ten dienste te staan van het politieke debat door de gevolgen van de beoogde keuzen in het licht te stellen. Men kan deze verschillende termen ten opzichte van elkaar

situeren door middel van het volgende diagram
FIG. 1 : POLITIQUE

ET AMÉNAGEMENT LINGUISTIQUES
<img style="width: 650px; height: 164px;" alt="FIG. 1 : POLITIQUE ET AMÉNAGEMENT LINGUISTIQUES" src="GrinFig01.jpg">

FIG. 1 : TAALPOLITIEK EN

TAALPLANNING
<img style="width: 650px; height: 164px;" alt="FIG. 1 : POLITIQUE ET AMÉNAGEMENT LINGUISTIQUES" src="GrinFig01.jpg">

La littérature fait

fréquemment une distinction, proposée par Kloss (1969), entre l’aménagement du statut et l’aménagement du corpus. Dans ce dernier cas, il s’agit d’intervention sur la langue elle-même : adoption d’un alphabet, réforme orthographique, développement de néologismes, etc. 8 De tout cela, il n’est pas question dans cette étude : on partira du principe que même si la langue n’est pas une réalité figée, mais évolutive, il n’y a pas lieu d’intervenir sur ce plan. De toute façon, le travail sur le corpus linguistique est rarement effectué pour lui-même ; c’est plutôt un instrument de l’intervention sur le statut,

qui est bien, en fin de compte, l’objet de ce rapport.
De literatuur maakt vaak een

onderscheid, voorgesteld door Kloss (1969), tussen de planning van het statuut en de planning van het corpus. In het laatste geval gaat het over een tussenkomst op de taal zelf: aannemen van een alfabet, spellingshervorming, ontwikkeling van neologismen, enz. 8 Over dit alles is er geen sprake in deze studie: men zal vertrekken van het principe dat, zelfs al is de taal geen vaste realiteit, het niet nodig is tussen te komen op dat vlak. In ieder geval wordt het werken op het corpus zelden voor zichzelf uitgevoerd; het is eerder een middel voor de ingreep op het statuut, die uiteindelijk wel het voorwerp uitmaakt van dit rapport.

La notion de «

statut » peut être interprétée de façons différentes. Historiquement, la littérature posait le statut en termes juridiques (Cooper, 1989) : telle ou telle langue est-elle officielle ? Si oui, ce statut d’officialité vaut-il pour toutes les fonctions de l’État ou seulement pour certaines d’entre elles ? Actuellement, le terme de statut est en général pris dans un sens plus large : il désigne les aspects non seulement juridiques et institutionnels, mais plus largement politiques, économiques et sociaux, de la position d’une langue par rapport à une autre.9 On peut donc dire que la politique linguistique vise, en fin de compte, à modifier notre environnement linguistique

dans un sens jugé souhaitable (Grin, 2003c).
Het begrip "statuut" kan op

verschillende manieren geïnterpreteerd worden. Historisch stelde de literatuur het statuut in juridische termen (Cooper, 1989): is deze of gene taal officieel? Indien ja, is dat statuut van officiële taal dan geldig voor alle functies van de staat of alleen voor bepaalde functies? Tegenwoordig wordt de term statuut over het algemeen in een bredere zin genomen: het betekent niet alleen de juridische en institutionele aspecten, maar ook breder politieke, economische en sociale, van de positie van een taal ten overstaan van een andere. 9 Men kan dus zeggen dat de taalpolitiek uiteindelijk gericht is op het wijzigen van het taalmilieu in een wenselijk geachte zin (Grin, 2003c)

La position d’une

langue par rapport à une autre dépend naturellement de l’interaction d’acteurs extrêmement variés : non seulement les États, mais aussi les entreprises, le secteur associatif et, en dernier ressort, les individus eux-mêmes. Dès lors, on peut parler d’une « politique linguistique » des grandes entreprises, et c’est une expression que l’on rencontre parfois dans la littérature en français. Toutefois, il est important de bien distinguer les acteurs, car ils n’ont pas tous les mêmes objectifs. Ainsi, s’il est parfaitement possible qu’une entreprise ait une stratégie linguistique (par exemple, telle entreprise multinationale qui, toute française qu’elle soit, institue l’anglais comme langue de communication interne) mais si elle le fait, c’est dans une optique de rentabilité économique. À l’inverse, une politique publique, y compris quand elle s’applique à la langue, est censée viser le bien général. C’est du reste bien là ce qui fait sa difficulté : c’est en termes de leurs conséquences pour ce bien général

que les différents scénarios doivent être pesés.
De positie van een taal te

overstaan van een andere hangt natuurlijk af van de wisselwerking van uiterst gevarieerde actoren: niet alleen de staten maar ook de ondernemingen, de verenigingssector en uiteindelijk de individuen zelf. Vandaar dat men kan spreken van een "taalpolitiek" van grote ondernemingen, het is een uitdrukking die men soms tegenkomt in de Franstalige literatuur. Nochtans is het belangrijk de actoren goed te onderscheiden, want ze hebben niet allen dezelfde doelstellingen. Zo is het perfect mogelijk is dat een onderneming een taalpolitiek heeft (bijvoorbeeld, die multinationale onderneming, die, hoewel ze Frans is, het Engels als interne communicatietaal aanneemt), maar in dat geva doet ze dat met het oog op economische rendabiliteit. Omgekeerd wordt een publieke politiek, ook als die van toepassing is op de taal, verondersteld het algemeen welzijn te dienen. Het is overigens wel daarin, dat de moeilijkheid schuilt: de verschillende scenario's moeten afgewogen worden in het licht van hun gevolgen voor het algemene welzijn.

En outre,

l’environnement linguistique présente les caractéristiques classiques des biens et services collectifs, notamment la « non-rivalité de consommation » et « l’impossibilité d’exclusion ». Ces caractéristiques rapprochent sensiblement l’environnement linguistique de l’environnement naturel, et les principes de politique publique s’appliquant à celui-ci vaudront pour celui-là. Plus précisément, le libre jeu des forces du marché, pour les mêmes raisons qu’il ne suffit pas à garantir un niveau optimal de « production » de qualité environnementale, échouera certainement à garantir l’environnement linguistique qui est socialement le plus souhaitable. Par conséquent, l’intervention de l’État sur l’environnement linguistique est nécessaire, précisément dans une logique économique. Nous n’entrerons pas ici dans la discussion des formes « d’échec de marché » qui justifient que l’on traite l’environnement linguistique comme une forme de bien public (Grin, 2003a), mais nous reviendrons, au chapitre 5, sur

la nécessité de l’intervention des collectivités publiques.
Bovendien biedt het taalmilieu

de klassieke karakteristieken van collectieve diensten en goederen, vooral de "niet concurrentie van verbruik" en de "onmogelijkheid van uitsluiting". Deze karakteristieken brengen het taalmilieu dicht bij het leefmilieu, en de principes van publieke politiek die op dit milieu van toepassing zijn, zullen ook gelden voor het andere. Meer bepaald zal het vrije spel van de marktkrachten er zeker niet in slagen het  sociaal meest wenselijke taalmilieu te garanderen, om dezelfde redenen waarom het niet volstaat  om eenzelfde optimaal “productie”-niveau van milieuvriendelijke kwaliteit te garanderen. Bijgevolg is de tussenkomst van de staat op het  taalmilieu nodig, precies volgens een economische logica. We zullen hierop de discussie ingaan over de vormen “van marktmislukking” die rechtvaardigen dat men het taalmilieu behandelt als een vorm van openbaar goed (Grin, 2003a), maar we zullen in hoofdstuk 5 terugkomen op de noodzakelijkheid van de tussenkomst van de publieke gemeenschappen.

Précisons encore

que cette étude évite délibérément toute référence à la notion de « bonne politique » ou autre notion apparentée, souvent popularisée sous un label en anglais comme « good practice » ou « best practice ». Quoi qu’elles aient fait florès dans la littérature issue d’organisations où l’on évalue des politiques publiques, comme l’OCDE ou l’OSCE, pour ne mentionner que celles-ci, ces expressions renvoient à un ensemble souvent assez flou de caractéristiques souhaitables. En fin de compte, elles reviennent toutes à une allocation efficace et à une distribution équitable des ressources, qu’elles soient matérielles ou symboliques.

Laat ons nog preciseren dat deze

studie vrijwillig elke verwijzing vermijdt naar het begrip “goede politiek” of een ander verwant begrip, vaak populair onder een engelse naam als “good practice” of “best practice”. Hoewel ze furore gemaakt hebben in de literatuur die uitging van organisaties waar men de publieke politieken evalueert, zoals de OCDE of de OSCE, om maar deze te noemen, verwijzen deze uitdrukkingen naar een vaak vrij vaag  geheel van wenselijke karakteristieken. Uiteindelijk komen ze allemaal neer op een efficiënte toekenning en een billijke verdeling van de middelen, hetzij materiële hetzij symbolische.

La politique

linguistique peut donc être définie ainsi : « un effort systématique, rationnel et fondé sur une analyse théorique [qui] se situe au plan de la société, et vise à résoudre les problèmes liés à la langue en vue d’accroître le bien-être. Elle est habituellement dirigée par les autorités ou leurs mandataires et vise une partie ou la totalité de la

population placée sous leur juridiction » (Grin, 2002 : 19).
De taalpolitiek kan dus zo

gedefinieerd worden: “een systematische, rationele  inspanning, gegrond op een theoretische analyse, die zich situeert op het vlak van de maatschappij en gericht is op het oplossen van de problemen, gebonden aan de taal, met het oog op het vergroten van het welzijn. Hij is gewoonlijk beheerd door de gezagsdragers of hun mandatarissen en beoogt een deel of het geheel van de bevolking die onder hun rechtspraak vallen” (Grin, 2002:19).

2.2 Théories économiques de la valeur et compétences linguistiques

À un moment ou à un autre, dans la plupart des débats politiques sur l’enseignement des langues se pose la question de la « valeur de la langue ». Le lien avec l’enseignement des langues est immédiat : plus une langue a de la « valeur », plus il y a de raisons de l’inscrire au programme ; après tout, c’est très probablement dans cette logique que s’inscrivent les récentes recommandations sur le caractère obligatoire que devrait revêtir, en France, l’enseignement de l’anglais. Le concept de « valeur » appliqué à la langue doit toutefois être pris avec prudence ; outre qu’il sert souvent à masquer, consciemment ou non, un certain flou, il est utilisé pour défendre des recommandations

diamétralement opposées.

2.2 Economische theorieën van de taalwaarde en taalbekwaamheid


Op een of ander ogenblik stelt zich in de meeste politieke debatten over het taalonderwijs de vraag over de “waarde van de taal”. De binding met het taalonderwijs is rechtstreeks: hoe meer “waarde” een taal heeft, des te meer redenen er zijn, ze in het programma op te nemen; uiteindelijk is het heel waarschijnlijk onder deze logica dat de recente aanbevelingen vallen, over het verplichte karakter, dat het onderwijs van het Engels in Frankrijk zou moeten krijgen. Het concept “waarde”, toegepast op taal, moet evenwel met voorzichtigheid opgevat worden; buiten dat het vaak dient om, bewust of niet, een zekere vaagheid te vermommen, wordt het ook gebruikt om diametraal tegengestelde aanbevelingen te verdedigen.

L’invocation de la

valeur de la langue s’accompagne d’une caractérisation de celle-ci comme un « trésor », une forme de richesse, etc. ; et, bien entendu, cette caractérisation ne peut que s’appliquer à toute langue. Certes, ces déclarations ne sont guère que des figures de rhétorique ; d’aucuns semblent considérer comme allant de soi le fait que la langue a une valeur et tiennent en conséquence pour évident que les langues ont une valeur au sens économique du terme. Il n’en est pas nécessairement ainsi, ou en tout cas pas dans le même sens pour toute langue, et la

notion de « valeur » d’une langue doit donc être explicitée. 10
Het verwijzen naar de waarde van

de taal gaat samen met de karakterisering ervan als een “schat”, een vorm van rijkdom, enz.; en natuurlijk kan deze karakterisering van toepassing zijn op eender welke taal. Het is duidelijk dat deze verklaringen weinig meer zijn dan retorische beeldspraak; sommigen lijken het vanzelfsprekend te vinden dat de taal een waarde heeft en vinden het bijgevolg evident dat de talen een waarde hebben in de economische zin van de term. Dat is niet noodzakelijk zo, of in ieder geval niet in dezelfde zin voor elke taal, en het begrip “waarde” van een taal moet dus nader verklaard worden. 10

Il n’est pas

possible de présenter ici les concepts économiques de valeur et leurs conséquences pour l’enseignement des langues, et l’on se contentera de mettre en évidence différentes formes de valeur. Considérons d’abord la question de la valeur dans l’optique de l’acteur individuel. Une distinction, brièvement évoquée dans le chapitre précédent, doit être faite entre les valeurs « marchandes » et « non marchandes ». Les valeurs marchandes sont reflétées dans les prix ou dans un autre indicateur de ce type. Supposons, par exemple, que pour un producteur, le fait de parler la langue X facilite la vente de biens au public de langue X et permette en conséquence de réaliser des bénéfices plus importants ; pour prendre un autre exemple, imaginons qu’un salarié parlant la langue X gagne davantage, toutes choses égales par ailleurs, car il connaît la langue X. Dans l’un comme dans l’autre cas, la langue X a une valeur marchande. L’estimation des taux de rendement, sur  laquelle nous nous penchons dans la section 3.2, vise précisément à

rendre compte de cette valeur marchande
Het is niet mogelijk hier de

economische concepten van waarde voor te stellen en hun gevolgen voor het taalonderwijs, en men zal zich tevreden stellen verschillende vormen van waarde duidelijk te stellen. Laat ons eerst de vraag bekijken van de waarde uit het oogpunt van de individuele actor. Een onderscheid, kort aangeraakt in het voorgaande hoofdstuk, moet gemaakt worden tussen de “handelswaarden” en “niet-handelswaarde”. Handelswaarden worden weerspiegeld in de prijs of in een andere gelijksoortige aanwijzing. Laat ons bijvoorbeeld veronderstellen dat voor een producent, het feit een taal X te spreken de verkoop van goederen aan het publiek met taal X vergemakkelijkt en bijgevolg het maken van meer winsten toelaat; om een ander voorbeeld te nemen, laat ons bedenken dat een loontrekkende die de taal X spreekt, meer verdient omdat hij de taal X kent, met alle andere omstandigheden overigens gelijk. In het ene zoals in het andere geval heeft de taal X een handelswaarde. De schatting van de rendementsverhoudingen, waarover we ons zullen buigen in sectie 3.2, bedoelt precies deze handelswaarde in rekening te brengen.

Cependant, la

valeur non marchande existe également. Par exemple, connaître la langue X donne accès à la culture en langue X, facilite les contacts sociaux avec les membres de la communauté de langue X, etc. Cette valeur n’est généralement pas reflétée dans les prix, mais elle sera perçue par les individus si leurs goûts les portent à entretenir des contacts avec la culture et les communautés de langue X. L’argument peut aisément être étendu d’une langue spécifique (X) à la diversité linguistique ; la diversité linguistique a une valeur non marchande pour les personnes qui accordent de la valeur à la diversité dans leur environnement linguistique, au même titre qu’elles accordent de la valeur à une certaine qualité de leur environnement (naturel). Il n’existe, à ma connaissance, aucune estimation systématique de la valeur non marchande des compétences en langues étrangères ; nous verrons toutefois, dans la section 3.2, quelles pistes permettraient d’envisager une telle

estimation.
Maar er bestaan ook

niet-handelswaarden. Bijvoorbeeld, een taal X kennen geeft toegang tot de cultuur in taal X, vergemakkelijkt de sociale contacten met de leden van de gemeenschap van taal X, enz. Deze waarde wordt over het algemeen niet weergegeven door een prijs, maar ze zal waargenomen worden door de individuen als hun smaak hen ertoe leidt contacten te onderhouden met de cultuur en de gemeenschappen van taal X. Het argument kan gemakkelijk uitgebreid worden van een specifieke taal (X) tot de taaldiversiteit; de taaldiversiteit heeft een niet-handelswaarde voor personen die waarde toekennen aan de diversiteit in hun taalmilieu, op dezelfde manier zoals ze waarde toekennen aan een zekere kwaliteit van hun leefmilieu. Er bestaat bij mijn weten geen enkele systematische schatting van de niet-handelswaarde van bekwaamheden in vreemde talen; we zullen niettemin zien, in sectie 3.2, welke pistes zouden toelaten een dergelijke schatting aan te pakken.

La valeur marchande

ou non marchande représentée par la langue X pour un individu donné peut contribuer à expliquer le fait qu’il choisisse d’apprendre ou de ne pas apprendre la langue X et qu’il soit d’accord ou non que l’État consacre des recettes fiscales à l’enseignement de cette langue. Pourtant, il faut pousser plus loin le raisonnement pour analyser les choix au niveau social et faire face aux questions d’orientation de la

politique d’enseignement des langues.
De handelswaarde of

niet-handelswaarde, vertegenwoordigd door de taal X voor een gegeven individu, kan bijdragen om het feit uit te leggen dat hij verkiest de taal X  te leren of niet te leren en dat hij er al dan niet mee akkoord gaat dat de staat fiscale inkomsten besteedt aan het onderwijs van die taal. Nochtans moet men de redenering verder doordrijven om de keuzen te analyseren op sociaal niveau en de vragen over de oriëntatie van de taalonderwijspolitiek onder ogen te nemen.

Jusqu’ici, la

valeur marchande et la valeur non marchande ont été décrites au niveau « privé ». Au niveau social, la distinction entre « marchand » et « non marchand » reste pertinente, mais la valeur sociale diffère de la valeur privée et doit faire l’objet d’une démarche d’estimation propre. La plupart des économistes conviennent que les valeurs sociales peuvent être évaluées en agrégeant les valeurs privées. Dans la mesure où ces valeurs privées ne sont que rarement estimées (dans le cas des valeurs marchandes) ou jamais estimées (dans le cas des valeurs non-marchandes) il n’existe guère d’exercices d’agrégation ; mais par défaut, il semble que l’on admette, en général, que cette agrégation se résume à une simple addition. Ainsi, la somme des valeurs marchandes privées, pour l’ensemble des individus dans une société donnée, aboutirait à la valeur marchande sociale, alors que la somme des valeurs non marchandes privées aboutirait à la valeur non marchande sociale. La valeur de la langue X, ou d’un environnement linguistique particulier défini, entre autres aspects, par la situation de la langue X dans cet environnement, correspond donc à la somme de la valeur marchande sociale et de la valeur non marchande sociale. Si la langue X est une langue étrangère qui ne nous intéresse qu’en tant que matière scolaire, le principe reste le même : la somme, sur l’ensemble des individus qui composent la société, des valeurs privées marchandes donnerait la valeur sociale marchande — et de même pour la valeur non marchande. Cette approche est

résumée dans le tableau 1 ci-après.
Tot hiertoe werden de

handelswaarde en de niet-handelswaarde beschreven op het “private” niveau . Op sociaal niveau blijft het onderscheid tussen “handels-“ en “niet-handelswaarde” betekenisvol, maar de sociale waarde verschilt van de private waarde en moet het voorwerp uitmaken van een afzonderlijke waardestudie. De meeste economisten zijn het erover eens, dat de sociale waarden kunnen geschat worden uit de verzamelde private waarden. Daar deze private waarden slechts zelden (in het geval van de handelswaarden) of nooit (in het geval van de niet-handelswaarden) geschat worden, bestaan er nauwelijks schattingspogingen; maar het ziet ernaar uit dat men in het algemeen bij ontstentenis aanneemt dat deze schatting neerkomt op een eenvoudige optelling. Dus de som van de private handelswaarden voor het geheel van de individuen in een gegeven maatschappij, zou neerkomen op de sociale handelswaarde, terwijl de som van de private niet-handelswaarden zou neerkomen zou neerkomen op de sociale niet-handelswaarde. De waarde van taal X, of van een bijzonder taalmilieu, onder andere aspecten, bepaald door de situatie van de taal X in dit milieu, komt dus overeen met de som van de sociale handelswaarde en de sociale niet-handelswaarde. Als taal X een vreemde taal is die ons slechts interesseert als schoolleerstof, blijft het principe hetzelfde: de som, over het geheel van de individuen die de maatschappij uitmaken, van de private handelswaarden zou de sociale handelswaarde opleveren – en evenzo voor de niet-handelswaarde. Deze benadering wordt samengevat in tabel 1 hierna.

TABLEAU 1 : COMPOSANTES DE LA

VALEUR

<img style="width: 225px; height: 97px;" alt="" src="Grin02Tab01.jpg">

TABEL 1: COMPONENTEN VAN DE

WAARDE
<img style="width: 225px; height: 97px;" alt="" src="Grin02Tab01.jpg">

 Dans ce

tableau, « A » représente la valeur marchande privée, « B » la valeur non marchande privée, « C » la valeur marchande sociale, et « D » la valeur non marchande sociale. La valeur sociale totale VS est donc égale à C+D. Pour une société comptant N personnes (1, 2, …, i, …N) où la valeur marchande individuelle de la langue X ou d’un environnement linguistique donné est mvi, et la valeur non marchande est vnmi, la valeur sociale totale VS est donnée par:
<img style="width: 279px; height: 94px;" alt="Formule 1" src="GrinFor01.jpg">

In deze tabel stelt “A” de

private handelswaarde, “B” de private niet-handelswaarde, “C de sociale handelswaarde en “D” de sociale niet-handelswaarde voor. De totale sociale waarde VS is dus gelijk aan C+D. Voor een maatschappij die N personen telt (1, 2, ..., i, ...N) waar de individuele handelswaarde van de taal X of van een gegeven taalmilieu mvi, en de niet-handelswaarde vnmi is, wordt de totale sociale waarde VS gegeven door:
<img style="width: 279px; height: 94px;" alt="Formule 1" src="GrinFor01.jpg">

Une règle simple

peut être déduite de cette manière de formuler les choix en matière de politique linguistique : la politique qui devrait être choisie et mise en oeuvre, toutes choses égales par ailleurs, est celle qui maximise VS, moins les coûts correspondants de la politique, car la politique adoptée en application de ce critère sera celle dont on peut attendre le bien-être maximal. De ce principe général découlent certaines conséquences pour l’enseignement des langues étrangères et la politique

en la matière doit satisfaire aux mêmes critères.
Een eenvoudige regel kan

afgeleid worden uit deze manier van de keuzen op gebied van taalpolitiek te formuleren: de politiek die zou moeten gekozen en uitgewerkt worden, met alle omstandigheden overigens gelijk, is die, welke VS maximaal maakt, min de kosten overeenkomstig met deze politiek, want de politiek, aangenomen in toepassing van dit criterium, zal deze zijn, waarvan men het maximale welzijn mag verwachten. Uit dit algemene principe vloeien bepaalde gevolgen voort voor het onderwijs van vreemde talen en de politiek daarvoor moet aan dezelfde criteria

voldoen.
Cette démarche

offre un cadre pour comparer différents scénarios et faire des choix ; si imparfait qu’il puisse être, il permet de clarifier les scénarios en présence et le débat public à leur propos, ne serait-ce que parce qu’en général, cet exercice n’est pas fait. De ce point de vue, la simple prise en compte du fait qu’il existe plusieurs formes de valeur n’est pas sans utilité. Cependant, elle soulève aussi divers problèmes

conceptuels et empiriques.
Dit proces biedt een kader om de

verschillende scenario’s te vergelijken en keuzen te maken; hoewel het niet perfect is, laat het toe de betrokken scenario’s en het publieke debat  over het onderwerp te belichten, want meestal wordt dit niet gedaan. Uit dat oogpunt  is de eenvoudige beschouwing van het feit, dat er verschillende vormen van waarden bestaan, niet zonder nut. Nochtans stelt het ook verschillende

conceptuele en praktische problemen.
Premièrement, la

simple addition est un mode d’agrégation inadapté, comme le montre un exemple simple. Si une personne h apprend la langue X (par exemple parce qu’elle attend de cet investissement un gain monétaire), elle s’ajoute aux effectifs de ceux qui parlent déjà la langue X. Cela affecte la situation d’une autre personne, disons k, de différentes manières. Supposons que k connaît déjà la langue X. D’une part, le fait que h ait appris la langue X accroît la pertinence de la langue X et augmente donc la valeur des compétences linguistiques de k. Dans le même temps, le fait qu’il y ait une personne de plus sur le marché du travail qui parle la langue X peut amputer l’avantage de salaire dont bénéficient ceux qui parlent la langue X et k peut voir sa situation salariale se détériorer. La valeur marchande sociale de l’enseignement de la langue X à ceux qui ne la parlent pas ne peut donc pas être calculée en faisant la somme des gains que chaque non locuteur peut attendre, ne serait-ce que parce que, entres autres, (i) ceux qui parlent déjà la langue peuvent enregistrer un gain ou une perte ; (ii) les gains potentiels de ceux qui ne la parlent pas encore seront affectés par le nombre des autres personnes qui décideront d’apprendre la langue. Ce phénomène de réseau, signalé dans l’introduction, jouera

un rôle crucial dans le chapitre 5.
Ten eerste, de eenvoudige

optelling is een geen geschikte manier van verzamelen, zoals een eenvoudig voorbeeld aantoont. Indien een persoon h de taal X leert (bijvoorbeeld omdat hij uit deze investering een geldelijke opbrengst verwacht), sluit hij zich aan bij het totaal van hen die de taal X reeds spreken. Dat wijzigt de situatie van een andere persoon, zeggen we k, op verschillende wijzen. Veronderstellen we dat k reeds de taal X kent. Enerzijds verhoogt het feit dat h de taal X geleerd heeft de doeltreffendheid van de taal X en verhoogt dus de waarde van de taalbekwaamheden van k. Tegelijk kan het feit, dat er een persoon meer is op de arbeidsmarkt die de taal X spreekt, het loonvoordeel verlagen, waarvan diegenen genieten, die de taal X spreken, en kan k zijn loonsituatie zien afbrokkelen. De sociale handelswaarde van het onderwijs van taal X aan wie ze niet spreekt kan dus niet berekend worden door de som te maken van de winsten, die elke niet-spreker kan verwachten, al was het maar omdat, onder andere, (i) diegenen die de taal reeds spreken een winst of een verlies kunnen waarnemen; (ii) de potentiële winsten van diegenen, die ze nog niet spreken zullen aangetast worden door het aantal andere personen, die zullen beslissen de taal te leren. Dit netverschijnsel, vermeld bij de inleiding, zal een cruciale rol spelen in hoofdstuk 5.

Deuxièmement, les

éléments de la valeur non marchande sont très difficiles à identifier de façon théorique et également difficiles à mesurer de façon empirique

en outre, ils seront vraisemblablement aussi affectés par le

phénomène « d’externalité de réseau » qui vient d’être décrit. Troisièmement, une politique publique vise en principe à passer d’un environnement linguistique existant à un autre environnement, censément meilleur. Elle comporte des avantages, mais aussi des coûts, qui sont parfois difficiles à identifier et, dans tous les cas, difficiles à évaluer, surtout si l’on prend en compte les coûts nonmarchands (ou symboliques), comme il faudrait, en principe, avoir pris en compte les

bénéfices non-marchands.
Ten tweede, de elementen van de

niet-handelswaarde zijn moeilijk te identificeren op theoretische wijze en ook moeilijk te meten op empirische wijze; bovendien zullen ze waarschijnlijk ook aangetast worden door het zojuist beschreven verschijnsel van “net-externaliteit”. Ten derde, een publieke politiek beoogt in principe over te gaan van een bestaand taalmilieu naar een ander milieu, dat geacht wordt beter te zijn. Het brengt voordelen mee, maar ook kosten die moeilijk te identificeren en in ieder geval moeilijk schatten zijn, vooral als men rekening houdt met de niet-handelswaarden (of symbolische waarden), zoals men zou moeten doen, vooral na in rekening brengen van de niet-handelswinsten.

En bref, il n’est

pas possible, pour le moment, de véritablement calculer la « valeur » d’une langue, les « avantages » (marchands et non marchands) qui peuvent être attendus d’une politique particulière, et une bonne partie des coûts associés à toute politique linguistique en général, ou à toute politique d’enseignement des langues étrangères en particulier. De fait, il est rare que les analystes posent le problème de façon intégrée, et ils se penchent en général sur tel ou tel volet de

celui-ci. Dans l’ensemble, on observe que :
Samengevat, het is niet mogelijk

op dit ogenblik de “waarde” van een taal en de (handels- en niet-handels-) “voordelen” echt te berekenen, die kunnen verwacht worden van een bijzondere politiek en een goed deel van de kosten, verbonden aan een taalpolitiek in het algemeen, of aan eender welke politiek van onderwijs van vreemde talen in het bijzonder. Inderdaad is het zeldzaam dat de analisten het probleem in zijn geheel stellen, ze buigen zich in het algemeen over een of ander luik ervan. In zijn geheel ziet men dat:

◊ les effets de

réseau sont ignorés, essentiellement parce qu’on fait l’hypothèse que certains sont positifs et d’autres négatifs, s’annulant donc vraisemblablement les uns les autres dans une large mesure ; nous

revenons toutefois sur ces effets dans le chapitre 5 ;
◊ de neteffecten weggelaten

worden, hoofdzakelijk omdat men de hypothese maakt dat sommige positief en andere negatief zijn, en elkaar dus waarschijnlijk in ruime mate opheffen; we zullen evenwel op deze effecten terug komen in hoofdstuk 5;

◊ l’accent est placé

sur la valeur marchande privée, estimée essentiellement par la relation statistique entre les compétences linguistiques et les taux de salaire


◊ de nadruk gelegd wordt op de

private handelswaarde, essentieel geschat door de statistische relatie tussen de taalbekwaamheden en de loonverhoudingen;

◊ ces estimations

des avantages marchands privés (moyens) associés aux compétences linguistiques peuvent être mises en rapport avec les dépenses publiques moyennes (par individu) consacrées à l’enseignement des langues afin de

calculer la valeur marchande sociale.
◊ deze schattingen van de

(gemiddelde) private handelswaarde, verbonden aan de taalbekwaamheden, kunnen in verband gebracht worden met de gemiddelde publieke uitgaven (per individu) besteed aan het taalonderwijs teneinde de sociale handelswaarde te berekenen.

◊ Les valeurs non

marchandes sont omises, essentiellement parce qu’en raison du manque de données, il est difficile de faire autrement (certaines méthodes d’évaluation utiles pourraient, cependant, être empruntées à l’économie

de l’environnement).
◊ de niet-handelswaarde

weggelaten worden, hoofdzakelijk omdat, wegens het ontbreken van gegevens, het moeilijk is anders tewerk te gaan (sommige evaluatiemethodes zouden evenwel kunnen ontleend worden aan de milieu-economie).

2.3 Diversité et optimalité

2.3 Diversiteit en optimaliteit

Nous venons de voir

que si l’on souhaite fonder les choix en matière de politique linguistique sur une certaine notion de « valeur », il importe de se garder des métaphores faciles et d’analyser le problème de façon à identifier et à mesurer les composantes de la valeur. Or cet exercice se heurte à des difficultés conceptuelles et empiriques d’une telle ampleur qu’une véritable estimation de la valeur sociale respective de différents environnements linguistiques reste hors de portée. Ceci s’applique aussi aux choix en politique d’enseignement des langues étrangères. Dès lors, quels principes subsistent-ils pour guider une

telle politique, fût-ce en termes généraux ?
We hebben zojuist gezien dat,

als men de keuzes op het terrein van taalpolitiek wenst te baseren op een zeker begrip van “waarde”, het belangrijk is zich te hoeden voor gemakkelijke metaforen en men het probleem zo moet analyseren dat de componenten van de waarde geïdentificeerd en gemeten worden. Welnu, deze oefening botst op conceptuele en empirische moeilijkheden van zulke omvang dat een echte schatting van de sociale waarde van de respectievelijk taalmilieus buiten bereik blijft. Dit is ook van toepassing op de keuze voor een politiek van onderwijs van vreemde talen. Welke principes blijven er dan over om een dergelijke politiek te leiden, al was het maar in algemene termen?

Une réflexion sur

la valeur de la diversité en général est un élément pertinent de l’évaluation des choix en matière d’enseignement des langues étrangères, dans la mesure où celle-ci contribue à celle-là, et l’on peut formuler à cet égard un résultat théorique général concernant la valeur relative d’environnements linguistiques plus ou moins diversifiés. Ce résultat donne à penser que la société n’a vraisemblablement ni avantage à laisser la diversité s’éroder ni, à l’inverse, à favoriser une diversité sans limite. L’argument est le suivant : la diversité présente des avantages et des inconvénients que l’on peut, pour simplifier, appeler bénéfices et coûts, étant entendu qu’il ne s’agit pas seulement de valeurs monétaires, car les éléments

non marchands doivent être pris en considération.
Een bedenking over de waarde van

de diversiteit in het algemeen is een betekenisvol element voor de evaluatie van de keuzen op gebied van onderwijs van vreemde talen, in de mate waarin deze ertoe bijdraagt en dat men in dit opzicht een theoretisch resultaat kan formuleren over de relatieve waarde van min of meer verschillende taalmilieus. Dit resultaat laat vermoeden dat de maatschappij waarschijnlijk geen voordeel heeft de diversiteit te laten afbrokkelen, noch integendeel de diversiteit onbegrensd te bevoordelen. Het argument is het volgende: de diversiteit biedt voordelen en nadelen, die men ter vereenvoudiging kan noemen winst en kosten, wel te verstaan dat het niet alleen over geldwaarden gaat want, de niet-handelswaarden moeten meegerekend worden.

Le point de départ

général est l’idée qu’une plus grande diversité se traduira par une augmentation des avantages et des coûts. Mais les avantages tendent à augmenter à un taux décroissant, alors que les coûts tendent à progresser à un taux croissant [11]. Dans ces conditions, les courbes représentant les avantages et les coûts auront généralement la forme indiquée dans la figure 2, le niveau de diversité étant optimal à d*,

qui n’est égal ni à zéro ni à l’infini.
Het algemene vertrekpunt is het

idee dat een grotere diversiteit zal vertaald worden door een toename van de voordelen en van de kosten. Maar de voordelen neigen naar een toename in afnemende mate, terwijl de kosten neigen tot een toename in stijgende mate [11]. Onder deze voorwaarden vertonen de krommen in het algemeen de vorm aangegeven in figuur 2, waarbij het optimale diversiteitniveau ligt bij d*, dat gelijk is noch aan nul, noch aan oneindig.

<img

style="width: 381px; height: 325px;" alt="" src="Grin02Fig02.jpg">

<img style="width: 381px; height: 325px;" alt="" src="Grin02Fig02.jpg">
Bien qu’apparemment

anodin, le résultat selon lequel la diversité socialement optimale est positive et limitée a des conséquences pratiques, car il suppose qu’à partir d’une situation donnée, les mesures visant à préserver ou à imposer l’homogénéité linguistique – ou, autrement dit, « l’absence de diversité» – sont déconseillées, car elles sous-estiment les avantages et surestiment les coûts de la diversité. Inversement, les initiatives généreuses (souvent inspirées par des préoccupations de type « droits de l’homme ») en faveur d’une diversité linguistique illimitée et l’établissement de politiques pour la reconnaissance intégrale de l’ensemble des langues dans la société, y compris celles des groupes d’immigrants, aussi peu importants numériquement soient-ils, tendent à

tomber dans l’erreur contraire.
Hoewel schijnbaar onbelangrijk,

heeft het resultaat volgens welke de  sociaal optimale diversiteit positief en begrensd is, praktische gevolgen, want het veronderstelt dat vanaf een gegeven situatie de maatregelen met het oog op het beschermen of het opleggen van de taaldiversiteit – of anders “de afwezigheid van diversiteit” – afgeraden worden, omdat ze de voordelen van de diversiteit onderschatten en de kosten overschatten. Omgekeerd hebben  de vrijgevige initiatieven (vaak ingegeven door zorgen van de soort “mensenrechten”) ten voordele van een onbeperkte taaldiversiteit  en het instellen van politieken voor de integrale erkenning van het geheel van talen in de maatschappij, inbegrepen deze van groepen immigranten, hoe numeriek onbelangrijk ze ook mogen zijn, de neiging in de tegenovergestelde fout te vallen.

Pour estimer

approximativement les avantages et les coûts, deux approches peuvent être adoptées. La première consiste simplement à s’en remettre au débat politique, notamment en présentant un éventail de choix détaillés aux électeurs. En théorie, les préférences exprimées par le vote refléteront l’évaluation par les électeurs des avantages et des coûts marchands et non marchands et, même si le vote à la majorité n’offre pas de solution au problème des externalités, en particulier des externalités de réseau (comme on l’a vu plus haut), la procédure présente au moins certaines garanties du point de vue démocratique, même si les résultats d’un vote majoritaire ne peuvent pas être interprétés comme la garantie d’une solution « optimale » au sens de la

théorie économique.
Om benaderend de voordelen en de

kosten te schatten, kunnen twee benaderingen aangenomen worden. De eerste bestaat er eenvoudig in te vertrouwen op het politieke debat, namelijk door een waaier van gedetailleerde keuzen te bieden aan de kiezers. In theorie zullen de voorkeuren, uitgedrukt door de verkiezing, de waardering door de kiezers van de voordelen en de handels- en niet-handelskosten weerspiegelen en, zelfs als de verkiezing bij meerderheid geen oplossing biedt voor externaliteiten, bijzonder voor de net-externaliteiten (zoals men hoger gezien heeft), biedt de procedure ten minste bepaalde garanties op gebied van democratie, zelfs al kunnen de resultaten van een stemming bij meerderheid niet geïnterpreteerd worden als de garantie voor een “optimale” keuze in de zin van de economische theorie.

Cependant, pour

avoir une idée plus précise des éléments non marchands de la valeur en cause, il est théoriquement possible (encore qu’à ma connaissance, cela n’ait pas été tenté) d’appliquer aux choix linguistiques les méthodes d’évaluation utilisées en économie de l’environnement (Kahnemann et Knetsch, 1992). Pour l’essentiel, il s’agit de demander, dans le cadre d’une enquête auprès d’un échantillon représentatif de résidents, combien ils seraient prêts à payer (par exemple sous la forme d’impôts supplémentaires ou d’un pourcentage de leur charge fiscale présente) pour que la société passe de l’environnement linguistique actuel à un autre environnement linguistique qu’une politique donnée viserait à

établir.
Nochtans, om een nauwkeuriger

idee te hebben over de niet-handelselementen van de waarde in kwestie, is het theoretisch mogelijk (ook al is het bij mijn weten niet geprobeerd) de evalutatiemethoden toe te passen op de taalkeuzen (Kahnemann en Knetsch, 1992). Het gaat er vooral over, in het kader van een bevraging bij een representatief monster van inwoners, te vragen hoeveel ze zouden bereid zijn te betalen (bij voorbeeld onder de vorm van bijkomende belastingen of een percentage van hun huidige fiscale last) opdat de maatschappij zou overgaan van het huidige taalmilieu naar een ander taalmilieu dat een gegeven politiek zou beogen te bewerkstelligen.

Inversement, on

pourrait aussi poser la question de savoir combien ils seraient prêts à payer pour une politique dont l’objectif serait d’éviter un changement jugé peu souhaitable de leur environnement linguistique. Un exemple de politique correspondant à la première situation serait un accroissement massif du niveau moyen des compétences en langues étrangères dans la population (avantage) grâce à une généralisation des classes bilingues dans le système d’éducation. Un exemple de politique correspondant à la deuxième situation serait une augmentation de l’aide en faveur d’une langue menacée dont le déclin deviendrait irrémédiable (perte) en

l’absence d’une telle politique.12
Omgekeerd zou men ook de vraag

kunnen stellen hoeveel ze zouden bereid zijn te betalen voor een politiek, waarvan het doel zou zijn een weinig wenselijke verandering van hun taalmilieu te beletten. Een voorbeeld van politiek, beantwoordend aan de eerste situatie zou een massale toename zijn van het gemiddeld niveau van bekwaamheden in vreemde talen bij de bevolking (voordeel) dank zij een veralgemening van tweetalige klassen in het opleidingssysteem. Een voorbeeld van politiek beantwoordend aan de tweede situatie zou een verhoging zijn van de hulp ten voordele van een bedreigde taal waarvan de uitdoving onherstelbaar zou zijn (verlies) bij afwezigheid van een dergelijke politiek. 12

2.4 Allocation et distribution

 Jusqu’à présent, les seuls critères dont nous avons discuté pour l’évaluation d’une politique linguistique en général, ou d’une politique d’enseignement des langues étrangères comme partie intégrante d’une telle politique, portaient sur l’efficience et relevaient d’une problématique de l’allocation des ressources. Cependant, l’efficience n’est pas tout, et toute politique publique doit aussi être évaluée à l’aune de l’équité. En effet, une politique publique engendre nécessairement une redistribution des ressources, et met les acteurs dans le rôle de gagnants ou de perdants ; et quand bien même il n’y aurait que des gagnants, il existerait toujours un écart

entre les grands et les petits gagnants.

2.4 Toekenning en verdeling


Tot hiertoe gingen de enige criteria waarover we discuteerden voor de evaluatie van een taalpolitiek in het algemeen, of van een onderwijspolitiek voor vreemde talen als deel van een dergelijke politiek, over de efficiëntie en kwamen voort uit een problematiek van de toekenning van geldmiddelen. Nochtans is de efficiëntie niet alles, en elke publieke politiek moet ook geëvalueerd worden volgens zijn billijkheid. Inderdaad een publieke politiek veroorzaakt noodzakelijkerwijze een herverdeling van de geldmiddelen en plaatst de actoren in een rol van winnaar of van verliezer; en ook als er alleen maar winnaars zouden zijn zou er toch altijd een verschil ontstaan tussen de grote en de kleine winnaars.

L’impact

distributif de la politique publique est souvent négligé, et ceci s’observe également dans le cas des politiques qui touchent à la langue. Cette omission est peut-être d’autant plus probable, en l’occurrence, que le type de redistribution (matérielle ou symbolique) à laquelle donnent lieu les politiques linguistiques ou les politiques d’enseignement des langues n’est évident que si l’on s’écarte des manières habituelles de jauger l’équité. Dans l’évaluation des systèmes éducatifs, on jauge en général l’équité en termes de distribution des ressources entre acteurs ou groupes d’acteurs catégorisés selon tel ou tel indicateur de statut socio-économique (revenu, catégorie socio-professionnelle, etc.). Mais cette catégorisation n’est pas forcément la plus pertinente ici. En effet, la politique linguistique (ainsi que la politique d’enseignement des langues) redistribue les

ressources en fonction des attributs linguistiques des acteurs.
Het verdelend effect van de

publieke politiek wordt vaak verwaarloosd, en dat wordt ook waargenomen in het geval van de politieken, die de taal raken. Deze nalatigheid is misschien des te waarschijnlijker in het geval dat de soort herverdeling (materiële of symbolische), waartoe de taalpolitieken of de taalonderwijspolitieken aanleiding geven, slechts evident is, wanneer men zich verwijdert van de gewone manieren om de billijkheid te meten. In de evaluatie van de opleidingssystemen meet men in het algemeen de billijkheid in termen van verdeling van de geldmiddelen onder actoren of groepen actoren gerangschikt volgens een of andere indicator van socio-economisch statuut (inkomen, socio-professionele categorie, enz.). Maar deze rangschikking is hier niet noodzakelijk de geschikste. In feite herverdeelt de taalpolitiek (zoals ook de taalonderwijspolitiek) de geldmiddelen in functie van de taalattributen van de actoren.

Contrairement à la

religion, la langue n’est pas privatisable, car l’État se sert nécessairement de la langue dans l’exercice du pouvoir et le fonctionnement de l’administration (Kymlicka et Grin, 2003). Ainsi, lorsqu’un pays plurilingue adopte une seule langue officielle (en alléguant, par exemple, des raisons d’efficience dans son fonctionnement), il en exclut nécessairement d’autres. Cette décision se fait nécessairement au détriment des locuteurs de ces langues. Certes, dans un État où vivent n communautés linguistiques, la réduction à une seule (disons : la langue X) du nombre de langues officielles constitue une économie dans les coûts de fonctionnement de l’État, économie qui peut se traduire par un fardeau fiscal moindre, ce dont bénéficieront tous les résidents. Toutefois, c’est sur tous ceux dont la langue n’aura pas été retenue comme langue officielle que retombera le fardeau de l’apprentissage de la langue officielle, de l’adaptation à la norme (externe) qu’elle constitue, etc. Il y a donc redistribution des personnes de langue maternelle autre que X en direction des personnes dont c’est la langue maternelle (Pool, 1991b). Mutatis mutandis, des transferts analogues opèrent dans la communication internationale, dès que l’on concède à une langue un statut d’hégémon linguistique (Grin, 2004a) ; ce point, qui revêt une importance centrale, est examiné de plus près dans les chapitres 5 et

6.
In tegenstelling met de religie

is de taal niet privatiseerbaar, want de staat bedient zich noodzakelijkerwijze van de taal in de uitoefening van de macht en de werking van de administratie (Kymlicka et Grin, 2003). Zo, als een meertalig land één enkele officiële taal aanneemt (bijvoorbeeld onder voorwendsel van redenen van efficiëntie in zijn werking) sluit het noodzakelijkerwijze andere uit. Deze beslissing gebeurt noodzakelijkerwijze ten nadele van de sprekers van die talen. Zeker, in een staat waar n taalgemeenschappen leven, leidt de reductie tot één (zeggen we de taal X) van het aantal officiële talen tot een besparing in de werkingskosten van de staat, besparing die kan vertaald worden in een lagere fiscale last, waarvan alle inwoners zullen genieten. In ieder geval is het op allen, wier taal niet zal weerhouden zijn als officiële taal, dat de last van het leren van de officiële taal zal wegen, van de aanpassing aan de (externe) norm die ze meebrengt, enz. Er is dus herverdeling van de personen met andere moedertaal dan X naar van de personen, van wie het de moedertaal is (Pool, 1991b). Mutatis mutandis spelen analoge overdrachten mee in de internationale communicatie, van als men aan een taal het statuut van hegemonische taal toekent (Grin, 2004a); dit punt dat een centraal belang heeft, wordt verder onderzocht in de hoofdstukken 5 en 6.

Le caractère plus

ou moins acceptable de la redistribution qu’entraîne une politique publique peut être mesuré à l’aune de critères plus ou moins exigeants. Le moins exigeant (mais le plus en faveur dans les manuels d’économie) est le critère dit de Pareto, du nom de l’économiste Vilfredo Pareto (1848-1923). Ce critère stipule simplement qu’une politique qui redistribue les ressources est acceptable si les gagnants sont en mesure de compenser les perdants. Pool (1991b), van Parijs (2001) et de Briey et van Parijs (2002) vont plus loin en modélisant, dans le contexte des politiques linguistiques, le montant des compensations à prévoir, sans que cela garantisse que cette redistribution corrective soit pratiquement réalisable et que ces compensations soient effectivement versées. Enfin, on peut soumettre cette redistribution à un test éthique, c’est-à-dire qu’elle ne doit pas impliquer, même contre compensation financières, des contraintes incompatibles avec la

dignité humaine (Arnsperger et van Parijs, 2003).
Het min of meer aanvaardbaar

karakter van de herverdeling, die een publieke politiek meebrengt, kan gemeten worden volgens min of meer strenge criteria. Het minst strenge (maar meest in trek in de handboeken over economie) is het criterium genaamd van Pareto, volgens de economist Vilfredo Pareto (1848-1923). Dit criterium geeft eenvoudig aan dat een politiek die de geldmiddelen herverdeelt aanvaardbaar is, indien de winnaars in staat zijn de verliezers te compenseren. Pool (1991b), van Parijs (2001) en de Brieu en van Parijs (2002) gaan verder door in hun modelvorming in de context van taalpolitieken, het bedrag te voorzien, zonder dat dit garandeert dat deze correctieve herverdeling praktisch uitvoerbaar zou zijn en dat die compensaties werkelijk zouden gestort worden. Eigenlijk kan men deze herverdeling onderwerpen aan een ethische test, dat wil zeggen dat ze, zelfs tegen financiële compensatie, geen lasten mag opleggen die onverenigbaar zijn met de menselijke waardigheid (Arnsprecher en van Parijs, 2003).

Le thème de la

justice linguistique constitue donc une dimension centrale de l’enjeu, mais il est encore remarquablement peu pris en compte dans le débat public ou dans le débat politique au Parlement européen, alors même que l’Europe constitue un contexte dans lequel ces questions ont une importance évidente. Quant à la Commission, on pourrait presque supposer qu’elle cherche délibérément à occulter la question, ou à tout le moins que les Commissaires n’en ont pas toujours une vision claire.[13] La possibilité d’une compensation élargit considérablement, en théorie, le champ des politiques envisageables, mais le problème est de savoir quelle est son applicabilité en pratique. Nous aurons lieu de revenir sur ces questions dans les chapitres 6 et 7.

Het thema van de

taalrechtvaardigheid betekent dus een centrale dimensie van de inzet, maar wordt nog merkwaardig weinig meegerekend in het publieke debat in het Europese Parlement, terwijl Europa toch een context is, waarin deze vragen een evident belang hebben. Wat betreft de Commissie, zou men bijna kunnen veronderstellen dat ze vrijwillig zoekt de vraag te verdoezelen, of op zijn minst dat de commissarissen niet altijd een klaar inzicht hebben.  [13] De mogelijkheid van een compensatie verbreedt in theorie  aanzienlijk het terrein van de mogelijke politieken, maar de vraag is te weten welke zijn toepasselijkheid is in de praktijk. We zullen gelegenheid hebben op deze vragen terug te komen in hoofdstukken 6 en 7.

4 La littérature propose aussi

le terme de « glottopolitique », rarement employé et que nous

n’utiliserons pas non plus ici.
4 De literatuur stelt ook de

zelden gebruikte term “glottopolitiek” voor, die we hier niet zullen gebruiken

5 Par exemple, il serait

quasiment impossible de départager les revues Language Policy, Current Issues in Language Planning, et Language Problems and Language Planning

sur la base des thèmes qu’elles abordent.
5 Bijvoorbeeld zou het zo goed

als onmogelijk zijn een indeling te maken van de tijdschriften Language Policy, Current Issues in Language Planning, en Language Problems and Language Planning volgens de temata waar ze op ingaan.

6 Ainsi, la Revue d’aménagement

linguistique, publiée au Québec, traite largement d’aspects politiques et institutionnels, qui relèvent clairement de ce que j’appelle ici «

politique linguistique ».
6 Zo  behandelt Revue

d’aménagement linguistique (Tijdschrift voor Taalplanning), uitgegeven in Quebec, uitvoerig politieke en institutionele aspecten die duidelijk voortvloeien uit wat ik hier “taalpolitiek” noem.

7 Cet effort d’identification

et de mesure des avantages et des inconvénients des options en présence est parfois critiqué comme « réificateur » ou « réductionniste » ; le reproche est facile, d’autant plus que les critiques de ce « réductionnisme » ne se font pas faute d’avancer, eux aussi, des recommandations, et cela, sur la base d’une pesée, pas toujours explicite, du pour et du contre. Le tout est donc de procéder à cette pesée avec autant de cohérence et de transparence que possible (Pool,

1991a).
7 Dit streven naar identificatie

en meting van de voor- en nadelen van de betrokken opties wordt soms bekritiseerd als “materialiserend” of “herleidend”; de kritiek is gemakkelijk, des te meer dat wie de kritiek van dat “herleiden” uit, er zich niet van weerhoudt zelf ook aanbevelingen te doen, en dat op grond van een niet altijd expliciete weging van het voor en tegen. Het komt er op aan deze weging dus uit te voeren met zoveel mogelijk coherentie en doorzichtigheid (Pool, 1991a).

8 Le mot « corpus » n’est donc

pas utilisé ici dans son sens usuel en linguistique appliquée, où il renvoie généralement à un ensemble d’observations de réalisations

langagières.
8 Het woord “corpus” wordt hier

dus niet gebruikt in de zin gebruikt in de toegepaste taalkunde, waar hij over het algemeen verwijst naar een geheel van waarnemingen van taalrealisaties.

9 Cette évolution peut être

interprétée comme le reflet de l’importance, dans le développement de la politique linguistique en tant que discipline, des langues régionales ou minoritaires. Par exemple, l’efficacité remarquée de la politique linguistique catalane et la solidité de la recherche qui la soustend (Direcció General de Política Lingüística, 1997, 1999) s’ancre dans une vision intégrée du statut du catalan par rapport au castillan

elle s’incarne dans le concept de normalització, ou « normalisation

», que Vallverdú (1979) fait remonter au milieu des années soixante. Elle ne renvoie nullement à la norme linguistique, mais au fait que l’usage de la langue catalane redevienne normal,  non seulement en tant que langue du gouvernement de la Generalitat et de son administration, mais aussi dans tous les domaines de la vie économique

et sociale.
9 Deze evolutie kan

geïnterpreteerd worden als de weerspiegeling van het belang van streek- of minderheidstalen, in de ontwikkeling van de taalpolitiek als discipline. Bijvoorbeeld, de opmerkelijke efficiëntie van de Catalaanse taalpolitiek en het belang van het onderzoek dat ze ondersteunt (Direcció General de Política Lingüística, 1997, 1999) ankert in een geïntegreerde visie ten overstaan van het Castiliaans; ze wordt geconcretiseerd in het concept van normalització of “normalisatie”, die Vallverdú (1979) laat teruggaan tot midden de jaren zestig. Ze verwijst helemaal niet naar de taalnorm, maar naar het feit dat het gebruik van het Catalaans opnieuw normaal wordt, niet alleen als taal van de regering van de Generalitat en haar administratie, maar ook in alle domeinen van het economische en sociale leven.

10 Il convient d’écarter

d’entrée de jeu les analogies entre « langue » et « monnaie », qui

relèvent surtout de la métaphore et ne résistent guère à l’analyse.
10 Het past de analogieën tussen

“taal” en “geld” opzij te zetten, die vooral uit het metafoor voortkomen en nauwelijks aan de analyse weerstand bieden.

11 Les lecteurs familiers de la

théorie économique reconnaîtront là les concepts d’utilité marginale décroissante dans la consommation, et de coût marginal croissant dans

la production.
11 De lezers die thuis zijn in

de economische theorie zullen daarin de concepten van afnemende marginale bruikbaarheid in het verbruik en van groeiende marginale kost in de productie in herkennen.

12 On peut également présenter

aux personnes interrogées des estimations du coût global d’une politique linguistique donnée, et leur demander si elles considèrent que ce coût est acceptable ou non. Cela implique que les coûts ont

d’abord été estimés, ce qui n’est pas le cas la plupart du temps.
12 Men kan ook aan de

ondervraagde personen schattingen voorleggen van de globale kost van een gegeven taalpolitiek, en hun vragen of ze die kost aanvaardbaar vinden of niet. Dat houdt in dat de kosten vooraf geschat geweest zijn, wat in de meestal niet het geval is.

13 Ainsi,

l’ex-Commissaire à l’emploi et aux affaires sociales, Anna Diamantopolou, qui proposait en 2001 dans un entretien accordé au journal Kathimerini que l’anglais devienne deuxième langue officielle de la Grèce (http://www.hri.org/news/greek/mpab/2001/01-11-18.mpab.html ); sur les intentions de la Commission Prodi au cours de cette même année, mises en échec par une lettre conjointe des ministres allemand et français des affaires étrangères, Joschka Fischer et Hubert Védrine,

voir Phillipson (2003 : 20).
13 Zo stelde de ex-commissaris

tewerkstelling en sociale zaken, Anna Diamantopolou, die in 2001 in een onderhoud toegestaan aan het dagblad Kathimerini, voor dat het Engels tweede officiële taal zou worden in Griekenland (http://www.hri.org/news/greek/mpab/2001/01-11-18.mpab.html ); over de intenties van de Commissie Prodi in de loop va hetzelfde jaar, schaak gezet door een brief van de Duitse en Franse ministers van buitenlandse zaken Joschka Fischer en Hubert Védrine, zie Phillipson (2003 : 20).