GRINNL00sintezo: Malsamoj inter versioj

El UEA-vikio
Iri al: navigado, serĉi
e (link fix)
e (2 versioj)
 
(Neniu diferenco)

Nuna versio ekde 10:17, 27 Jun. 2010

SYNTHÈSE ET RECOMMANDATIONS

Ce rapport aborde la question de l’enseignement des langues étrangères comme une forme de politique publique. Dans cette optique, cet enseignement est l’instrument d’une politique linguistique qui se situe à un niveau plus général. Les questions principales n’y sont donc pas d’ordre pédagogique ou organisationnel ; il s’agit plutôt de savoir quelles langues étrangères enseigner, et pour quelles raisons. On s’écarte donc ici des démarches usuelles en la matière, qu’elles soient basées sur des considérations pédagogiques, juridiques, politiques, historiques, ou sociolinguistiques. L’application d’une approche intégrée de type « analyse de politiques » à la question de l’enseignement des langues étrangères constitue un développement nouveau. La présente étude a donc un caractère exploratoire, et les estimations qu’elle livre dans le

chapitre 6 sont inédites.

SYNTHESE EN AANBEVELINGEN

Dit rapport vat de problematiek van het onderwijs van vreemde talen op als een vorm van publieke politiek. Uit dit oogpunt is dit onderwijs een instrument van taalpolitiek dat zich bevindt op een meer algemeen niveau. Hier gaan de hoofdvragen niet over pedagogie of organisatie; in plaats daarvan gaat het erover, welke vreemde talen te onderwijzen, en om welke motieven. Men neemt hier dus afstand van de gewone benaderingen terzake, of ze nu gebaseerd zijn op pedagogische, juridische , politieke , historische of socio-linguïstische beschouwingen. De toepassing van een meer geïntegreerde benadering van het type “analyse van politieken” op de vraag van het onderwijs van vreemde talen vormt een nieuwe ontwikkeling. De huidige studie heeft dus een onderzoekend karakter, en de schattingen die ze oplevert in hoofdstuk 6 waren nog nooit uitgegeven.

L’économie des

langues et l’évaluation des politiques linguistiques sont les champs de spécialisation les plus directement pertinents pour aborder de telles questions. En même temps, l’analyse doit s’appuyer sur des concepts développés dans d’autres disciplines, notamment la sociolinguistique, le droit et la

théorie politique normative.
Taaleconomie en evaluatie van

taalpolitieken zijn de meest essentiële specialisatiegebieden bruikbaar om dergelijke vraagstukken aan te pakken. Tegelijk moet de analyse gesteund zijn op concepten, ontwikkeld in andere disciplines, voornamelijk sociolinguïstiek, recht en de politiek normatieve theorie.

Les politiques

linguistiques envisageables (avec leurs conséquences en matière d’enseignement des langues) peuvent donc être comparées en termes d’allocation et de distribution des ressources, c’est-à-dire en termes d’efficience et d’équité. Il faut souligner qu’eu égard à l’omniprésence de la langue dans l’activité humaine, la notion d’efficience doit nécessairement être prise dans un sens large, en tenant compte non seulement des valeurs marchandes, mais aussi des valeurs

nonmarchandes.
De mogelijke taalpolitieken (met

hun gevolgen op gebied van taalonderwijs) kunnen dus vergeleken worden op gebied van toekenning en verdeling van de geldmiddelen, dat wil zeggen op gebied van efficiëntie en rechtvaardigheid. Omdat taal overal bij komt kijken, moet men onderstrepen dat de term “efficiëntie” in ruime zin moet begrepen worden, door niet alleen met handelswaarden rekening te houden maar ook met niet-handelswaarden.

Étant donné la

rareté des données appropriées et (en général) la dispersion des cadres d’analyse, l’argumentation en faveur de l’enseignement de telle ou telle langue étrangère se limite souvent aux différentiels salariaux nets provenant de la maîtrise de cette langue. Bien qu’elle ne soit pas suffisante, une telle approche est pertinente en tant qu’élément d’un exercice d’évaluation plus vaste. Les données permettant d’évaluer, à l’aide d’équations de revenu, la valeur des compétences en langues étrangères, sont cependant fort rares, y compris en Europe. Les données suisses indiquent que les taux de rendement privés des compétences en anglais sont très élevés, mais que ceci s’applique aussi au français ou à l’allemand appris à titre de langue étrangère. La combinaison de ces chiffres avec les dépenses pour l’enseignement de ces langues permet de calculer des taux de

rendement sociaux.
Wegens de zeldzaamheid van

geschikte gegevens en (over het algemeen) de verspreidheid van de analysevelden, beperkt de argumentatie voor een of andere vreemde taal zich vaak tot netto loonverschillen, voortkomend uit de beheersing van die taal. Hoewel dat niet volstaat, is een dergelijke benadering bruikbaar als element van een ruimere evaluatieoefening.  De gegevens, die toelaten aan de hand van inkomensvergelijkingen de waarde van de bekwaamheden in vreemde talen te evalueren, zijn echter zeer zeldzaam, zelfs in Europa. De Zwitserse gegevens tonen dat de individuele rendementsverhoudingen voor het Engels zeer hoog zijn, maar dat dit ook zo is voor het Frans of het Duits, geleerd als vreemde taal. De combinatie van deze cijfers met de uitgaven voor het onderwijs van deze talen laat toe de sociale rendementsverhoudingen te berekenen.

Les données suisses

montrent que ces taux sont également élevés et soutiennent avantageusement la comparaison avec le rendement des placements

financiers.
De Zwitserse gegevens tonen dat

deze verhoudingen ook hoog zijn en de vergelijking met het rendement van financiële beleggingen goed doorstaan.

Cependant, de tels

résultats ne suffisent pas à orienter une politique d’enseignement des langues étrangères, non seulement en raison de leur caractère partiel, mais aussi parce qu’ils ne disent rien sur l’évolution future de ces taux de rendement. De fait, il est plausible que les taux de rendement des compétences en anglais s’érodent

à mesure que ces compétences se banalisent
Nochtans volstaan dergelijke

resultaten niet om er een onderwijspolitiek van vreemde talen naar te richten, niet alleen wegens hun gedeeltelijk karakter maar ook omdat ze niets zeggen over de toekomstige ontwikkeling van deze rendementsverhoudingen. Het is inderdaad aanneembaar dat deze rendementsverhoudingen voor bekwaamheden in het Engels afbrokkelen naargelang die bekwaamheden meer alledaags worden.

Les informations

dont on dispose sur les modalités de valorisation, au sein des entreprises, des compétences en langues étrangères, sont relativement peu nombreuses et surtout très vagues ; ceci provient sans doute du fait qu’en l’absence d’un cadre analytique de référence, les enquêtes de terrain récoltent des informations sans objectif bien défini. À l’heure actuelle, même si certains chiffres fournissent des apports d’information utiles, ce n’est pas à partir de données sur l’usage ou la valorisation des compétences linguistiques dans les entreprises que l’on peut définir les buts et les priorités d’une politique d’enseignement des langues

étrangères.
De informaties, waarover men

beschikt inzake de waardering van de bekwaamheden in vreemde talen in de schoot van de ondernemingen, zijn relatief weinig talrijk en vooral zeer vaag; dat komt ongetwijfeld doordat bij ontstentenis van een analytisch referentiekader, de bevragingen te velde informatie verzamelen zonder welbepaald doel. Op het huidige ogenblik, zelfs al leveren sommige cijfers nuttige informatiebijdragen, is het niet door uit te gaan van de gegevens over het gebruik of de waardering van de taalbekwaamheden in de bedrijven dat men de doelstellingen en de prioriteiten van een onderwijspolitiek voor vreemde talen kan bepalen.

L’analyse ne peut

pas se contenter de chercher à déterminer ces buts et ces priorités à partir d’une situation donnée, car les orientations de politique éducative contribuent à modifier le cadre dans lequel différentes langues étrangères s’avèrent plus ou moins utiles. Par conséquent, il n’est pas possible de traiter valablement la question et d’émettre des recommandations sans aborder le thème difficile de la dynamique des langues. S’il n’existe toujours pas, à l’heure actuelle, de théorie générale de la dynamique des langues, il en existe des éléments importants dans la littérature spécialisée. Toutefois, ces travaux sont souvent très techniques et abstraits, recourant par exemple à la théorie des jeux. Pour rendre compte des processus de dynamique des langues, on peut néanmoins faire appel à un modèle simple et efficace qui combine deux forces (« l’utilisabilité » et le « maximin »). Ce modèle prédit, dans le contexte européen actuel, une convergence accélérée vers une hégémonie linguistique exercée par l’anglais. Une telle évolution, cependant, s’avère inefficace en termes d’allocation des ressources, injuste en termes de distribution des ressources, dangereuse pour la diversité linguistique et culturelle, et préoccupante quant à ses implications géopolitiques. Il est donc nécessaire d’examiner des alternatives à un tel

scénario.
De analyse kan zich niet

tevreden stellen met deze doelstellingen en moet prioriteiten proberen vast te leggen, uitgaande van een gegeven toestand, want de oriëntaties van de opleidingspolitiek dragen zelf bij tot de wijziging van het kader waarin verschillende vreemde talen min of meer nuttig blijken. Bijgevolg is het niet mogelijk de vraag op een geldige manier te behandelen en er de aanbevelingen van naar buiten te brengen zonder het moeilijke onderwerp van de taaldynamiek aan te pakken. Al bestaat er tot nu toe nog altijd geen algemene theorie over de taaldynamiek, toch bestaan belangrijke elementen daarvan in de gespecialiseerde literatuur. Nochtans dijn deze werken vaak zeer technisch en abstract en nemen ze bijvoorbeeld hun toevlucht tot de speltheorie. Om met de processen van de taaldynamica rekening te houden kan men evenwel beroep doen op een eenvoudig en doeltreffend model dat twee krachten (“de bruikbaarheid” en de “maximin”) combineert. Dit model voorspelt in de huidige Europese context een versneld verloop naar een taalhegemonie uitgeoefend door het Engels. Een dergelijke evolutie blijkt nochtans ondoeltreffend op gebied van toekenning van de geldmiddelen, onrechtvaardig op gebied van verdeling van de geldmiddelen, gevaarlijk voor de diversiteit talen en culturen, en zorgwekkend op gebied van de geopolitieke gevolgen. Het is dus nodig alternatieven voor een dergelijk scenario te onderzoeken.

Trois scénarios sont

examinés : le « tout-à-l’anglais » (scénario 1) ; le « plurilinguisme » (scénario 2) ; et « l’espéranto » (scénario 3). Ces trois scénarios pourraient bien entendu faire l’objet d’une analyse beaucoup plus détaillée, et être combinés les uns aux autres dans le cadre d’une approche stratégique à la politique linguistique. L’accent est mis ici non pas sur les implications de la mise en oeuvre de ces scénarios, mais sur leur comparaison en termes d’efficience et d’équité. Vu la nouveauté du cadre d’analyse et l’absence de données ad hoc, l’estimation ne peut être qu’approximative et elle ne vise qu’à fournir des ordres de grandeur ; c’est toutefois, à ma connaissance, la première fois que l’on tente de chiffrer les transferts nets dont bénéficient les pays anglophones du fait de la préséance de l’anglais, et les économies qui seraient réalisées en cas de passage à un autre scénario. Il va de soi que ce n’est pas la langue anglaise en tant que telle qui est en cause, mais  l’hégémonie linguistique, quelle que soit le pays ou le groupe de pays qui en bénéficie. Les principaux résultats de la comparaison entre scénarios sont les

suivants :
Er worden drie scenario’s

onderzocht: het “alles in ’t Engels” (scenario 1); dat van de “meertaligheid” (scenario 2); en “Esperanto” (scenario 3). Deze drie scenario’s zouden natuurlijk het voorwerp kunnen uitmaken van een veel gedetailleerdere analyse, en met elkaar kunnen gecombineerd worden in het kader van een strategische benadering van de taalpolitiek. De nadruk wordt hier gelegd, niet op de gevolgen van het in het werking treden van deze scenario’s, maar op kun vergelijking op gebied van efficiëntie en billijkheid. Gezien de nieuwheid van het analysekader en de afwezigheid van gegevens terzake kan de schatting maar benaderend zijn en beoogt ze slechts grootteorden te leveren; het is nochtans bij mijn weten de eerste keer dat men probeert de netto-overdrachten te becijferen, waarvan de Engelstalige landen profiteren door het feit van de overheersing van het Engels, en de besparingen die zouden kunnen gerealiseerd worden door over te gaan naar een ander scenario. Het spreekt vanzelf dat het niet het Engels op zich is dat daar de schuld van is, maar de taalhegemonie, welke ook het land of de groep landen zij, die er winst uit halen. De bijzonderste resultaten van de vergelijking tussen scenario’s zijn de volgende:

1) le Royaume-Uni

gagne, à titre net, au minimum 10 milliards d’Euros par année

du fait de la dominance actuelle de l’anglais ;
1) Het Verenigd Koninkrijk wint

netto minstens 10 miljard euro per jaar door het feit van de huidige dominantie van het Engels;

2) si l’on tient

compte de l’effet multiplicateur de certaines composantes de cette somme, ainsi que du rendement des fonds que les pays anglophones peuvent, du fait de la position privilégiée de leur langue, investir ailleurs, ce total est de 17 à 18 milliards d’Euros par année ;

2) indien men rekening houdt met

het vermenigvuldigingseffect van sommige componenten van dit bedrag, zoals het rendement van de fondsen, die de Engelstalige landen elders kunnen investeren door het feit van de geprivilegieerde positie van hun taal, loopt dit bedrag op tot  17 à 18 miljard euro per jaar;

3) ce chiffre serait

certainement plus élevé si l’hégémonie de cette langue venait à être renforcée par une priorité que lui concéderaient d’autres États, notamment dans le cadre de leurs politiques éducatives respectives

3) dit cijfer zou ongetwijfeld

hoger liggen als de hegemonie van die taal nog versterkt werd door een voorrang die de andere staten het zouden toekennen, namelijk in het kader van hun respectievelijke opleidingspolitieken;

4) ce chiffre ne tient pas

compte de différents effets symboliques (comme l’avantage dont jouissent les locuteurs natifs de la langue hégémonique dans toute situation de négociation ou de conflit se déroulant dans leur langue) ; cependant, ces effets symboliques ont sans doute aussi des répercussions

matérielles et financières ;
4) dit cijfer houdt geen

rekening met de verschillende symbolische effecten (zoals het voordeel waarvan de geboren sprekers van de hegemonietaal profiteren in iedere situatie van onderhandeling of conflict die in hun taal verloopt); nochtans hebben deze symbolische effecten zonder twijfel ook wel hun materiële en financiële weerslag;

5) le scénario « plurilingue »

(qui peut, en pratique, revêtir des formes très différentes, dont une est analysée ici) ne réduit pas les coûts, mais les inégalités entre locuteurs ; toutefois, étant donné les forces à l’oeuvre dans la dynamique des langues, il présente un risque certain d’instabilité, et exige tout un train de

mesures d’accompagnement pour être viable ;
5) het scenario “meertalig” (dat

in de praktijk kan neerkomen op zeer verschillende vormen, waarvan hier één geanalyseerd werd) reduceert niet de kosten maar de ongelijkheden tussen de sprekers; gegeven zijnde de krachten in het werk bij de taaldynamica, vertoont het een zeker risico van instabiliteit, en vereist het een hele reeks begeleidende maatregelen om leefbaar te zijn;

6) le scénario « espéranto »

apparaît comme le plus avantageux, car il se traduirait par une économie nette, pour la France, de près de 5,4 milliards d’Euros par année et, à titre net pour l’Europe entière (Royaume-Uni et Irlande compris),

d’environ 25 milliards d’Euros annuellement
6) het scenario “Esperanto”

blijkt het voordeligste omdat het zich zou vertalen als een netto besparing voor Frankrijk van tenminste 5,4 miljard Euro per jaar en netto voor heel Europa (Verenigd Koninkrijk en Ierland inbegrepen) van ongeveer 25 miljard euro per jaar.

Les fréquentes

réactions de rejet à l’égard de l’espéranto rendent impraticable la mise en oeuvre à court terme du scénario 3. Il peut par contre être recommandé dans le cadre d’une stratégie de long terme à mettre en place sur une génération. Deux conditions sont toutefois critiques pour son succès : premièrement, un très gros effort d’information, afin de surmonter les préventions qui entourent cette langue — et qui sont en général basées sur la simple ignorance — et d’aider les mentalités à évoluer ; deuxièmement, une véritable coordination entre États en vue de la mise en oeuvre commune d’un tel scénario. Quatre-vingt cinq pour cent de la population de l’Europe des 25 y a un intérêt direct et évident, indépendamment des risques politiques et culturels que comporte

l’hégémonie linguistique
De veelvuldige reacties van

verwerping ten opzichte van Esperanto maken de realisatie op korte termijn van scenario 3 onuitvoerbaar. Het kan echter aanbevolen worden in het kader van een langetermijnstrategie, realiseerbaar in één generatie. Er zijn echter twee kritische voorwaarden voor het slagen: ten eerste, een zeer grote informatie-inspanning, teneinde de vooroordelen te overwinnen die deze taal omringen – en die over het algemeen gebaseerd zijn op gewone onwetendheid – en de mentaliteit te helpen evolueren; ten tweede, een echte coördinatie tussen staten met het oog op een gemeenschappelijke realisatie van dergelijk scenario. Vijfentachtig procent van de bevolking van het Europa der 25 heeft er rechtstreeks en evident belang bij, nog zonder rekening te houden met de politieke en culturele risico’s mee te tellen die taalhegemonie meebrengt

À court et moyen

terme, le scénario 2, c’est-à-dire celui du « plurilinguisme », est préférable, ne serait-ce que parce qu’il jouit

d’une plus grande acceptabilité politique
Op korte en middellange termijn

is scenario 2, dat wil zeggen dat van de “meertaligheid”, verkieslijk, al was het maar omdat het geniet van een grotere politieke aanvaardbaarheid.

S’il n’est pas

meilleur marché, en termes de coûts directs, que la formule actuelle ou que le scénario 1 (le « tout-à-l’anglais »), il réduit considérablement les transferts contraires à l’équité que le scénario 1 entraîne. Qui plus est, c’est sans doute le scénario le plus conforme à l’idée d’une Europe bâtie sur la diversité des langues et des cultures, comme l’invoque fréquemment le discours de l’officialité communautaire. Ce scénario 2 comporte pourtant des risques d’instabilité et d’érosion en faveur de l’anglais, ce qui constitue un argument en faveur du scénario 3. Toutefois, si des mesures d’accompagnement peuvent garantir la stabilité à long terme d’un véritable plurilinguisme, le scénario 2 peut constituer une stratégie de

long terme.
Al is het niet goedkoper, op

gebied van directe kost, dan de huidige formule of van scenario 1 (het “alles in ’t Engels”), het reduceert wel aanzienlijk de overdrachten, die scenario 1 meebrengt tegen alle rechtvaardigheid in. Te meer is dit het scenario dat meest overeenkomt met het idee van een Europa, gebouwd op de diversiteit van talen en culturen, zoals de officiële redevoeringen van de gemeenschap zo vaak laten horen. Dit scenario 2 houdt nochtans risico’s van instabiliteit en afbrokkeling in, ten voordele van het Engels, wat een argument is ten voordele van scenario 3. Niettemin, indien begeleidende maatregelen de stabiliteit op lange termijn van een echte meertaligheid zouden kunnen garanderen, kan scenario 2 een langetermijnstrategie vormen.