GRINNL07
El UEA-vikio
- revenu al Enhavo - Al tradukprojektoj
CHAPITRE 7 QUELLES STRATÉGIES ? |
HOOFDSTUK 7: Welke strategieën? |
|
7.1 Stratégie de long terme |
7.1 Langetermijnstrategie |
|
| Le scénario 1
(« tout-à-l’anglais ») présente des risques sérieux d’uniformisation et ne saurait prévenir la provincialisation de la langue française et des autres langues d’Europe, hormis l’anglais. |
Scenario 1 (“alles in ’t
Engels”) biedt ernstige risico’s alles eenvormig te maken en zou het
opzijschuiven van de Franse taal en de andere talen buiten het Engels
geenszins kunnen voorkomen. |
|
| Le scénario 2
(« plurillinguisme ») est certes appuyé — du moins au niveau des principes généraux et dans une version des plus floue — par tout le discours de l’officialité européenne. Cependant, outre que ce discours ne semble guère avoir de portée dans les faits, ce scénario n’est crédible que s’il incorpore une série de mesures qui norment assez étroitement les contextes communicationnels. Ceci suppose une ingénierie subtile, car elle ne peut fonctionner que si elle retourne à son avantage la double logique de l’utilisabilité et du maximin (ou au moins neutralise ces forces dans les contextes où elles s’exerceraient en faveur de l’anglais) ; la démarche est d’autant plus délicate que ces mesures nécessaires au succès du scénario 2 peuvent être perçues comme artificielles et contraignantes. |
Scenario 2 (“meertaligheid”)
wordt zeker gesteund – tenminste op het niveau van algemene principes
en in een zeer vage versie – door de redevoeringen van de Europese
officiële instanties. Nochtans, buiten dat deze redevoeringen niet veel
te maken hebben met de feiten, is dit scenario alleen geloofwaardig
indien het een reeks maatregelen insluit, die voldoende strikt de
communicatieve contexten normaliseren. Dit veronderstelt een subtiele
politiek, omdat het scenario enkel kan werken als het de dubbele logica
van bruikbaarheid en van maximin in zijn eigen voordeel kan ombuigen
(of tenminste in staat is die krachten te annuleren, ingeval het Engels
ervan zou profiteren); deze poging is des te delicater daar de
maatregelen, nodig voor het slagen van het tweede scenario, als
kunstmatig en dwangmatig kunnen aanzien worden. |
|
| Il ne fait donc
guère de doute, au vu des estimations qui précèdent, et plus encore si l’on tient compte du rôle des dimensions historiques et symboliques qu’elles n’incorporent pas, que le scénario 3 constitue, d’un point de vue analytique général, la meilleure solution. |
Er is dus geen enkele twijfel
dat scenario 3 de beste oplossing is uit algemeen analytisch oogpunt,
omwille van de vorige motieven, en zelfs meer indien men de rol van de
rol van de historische en symbolische dimensies beschouwt, die het
omvat. |
|
| Quelques travaux
tentent d’examiner, souvent à l’aide d’approches très techniques ancrées dans la théorie des choix rationnels, pourquoi une telle évidence ne s’est pas encore traduite dans la réalité des politiques éducatives (Pool, 1991b ; Selten et Pool, 1997 ; Güth, Strobel et Wickström, s.i.d.), malgré sa pertinence en termes pédagogiques (Piron, 1994), financiers (Haszpra, 2003), ou encore dans une réflexion humaniste (Mullarney, 1999). On peut y chercher des explications psychologiques (Piron, 1994) ou historiques (Forster, 1982 ; Ministère de l’instruction publique [Italie], 1995). Fettes (1991) combine plusieurs niveaux d’analyse dans un texte remarquablement nuancé. |
Enkele werken proberen te
onderzoeken, vaak door zeer technische behandelingen, gevestigd op de
theorie van de rationele keuzen, waarom zulke evidentie nog niet
uitgevoerd werd in de opleidingspolitiek (Pool, 1991b; Selten en Pool,
1997; Güth, Strobel en Wickström, s.i.d.) spijts zijn toepasselijkheid
op pedagogisch niveau (Mullerney, 1999). Men kan psychologische
verklaringen zoeken (Piron, 1994) of historische (Forster, 1982,
Ministerie van openbare opleiding [Italië], 1995). Fettes (1991)
combineert meerdere analyseniveaus in een opmerkelijk genuanceerde
tekst. |
|
| L’examen de ces
vastes questions nous emmènerait trop loin. Sur la base de l’approche de type « analyse de politiques » des chapitres précédents, dont les conclusions convergent avec la littérature citée ci-dessus, je me contenterai de tracer les contours de ce qui pourrait être une stratégie d’enseignement des langues visant le long terme, soit au moins une génération. Dans une deuxième section, je tenterai d’esquisser une stratégie de court terme. La distinction entre les deux est essentielle. En effet, toute suggestion de recourir à l’espéranto est fréquemment rejetée d’office, souvent sans l’ombre d’un argument ; il serait donc totalement illusoire de chercher à la mettre en place à brève échéance. |
Het onderzoek van deze
omvangrijke vragen zou ons te ver brengen. Op grond van een benadering
als “analyse van politieken” van de vorige hoofdstukken, waarvan de
conclusies convergeren met de hoger aangehaalde literatuur, zal ik me
tevreden stellen een strategie te schetsen over taalonderwijs, die een
lange termijn zou vereisen, dat is, minstens één generatie. In een
tweede paragraaf zal ik trachten een kortetermijnstrategie te schetsen.
Het onderscheid tussen de twee is belangrijk. Inderdaad, elk voorstel
Esperanto te gebruiken wordt onmiddellijk van de tafel geveegd, vaak
zonder enige rechtvaardiging; het zou helemaal denkbeeldig zijn het te
willen uitvoeren op korte termijn. |
|
| La mise en place du
scénario 3 n’est envisageable que sous trois conditions. La première relève de l’intendance et ne pose pas de problème majeur ; les deux autres sont plus difficiles, mais comme on a pu le voir, l’ampleur des enjeux financiers et symboliques est en rapport avec la difficulté de ces défis. |
De realisatie van scenario 3 is
maar te overwegen op drie voorwaarden. De eerste hangt af van het
beheer en stelt geen onoverkomelijk probleem; de andere twee zijn
moeilijker, maar zoals men heeft kunnen zien, is de omvang van de
financiële en symbolische inzet in verhouding met de moeilijkheid van
deze uitdagingen. |
|
Formation et recrutement des enseignants |
Vorming en aanwerving van leerkrachten |
|
| On passera
rapidement sur la question de la formation des enseignants. Si le scénario est conçu pour être mis en place petit à petit en l’espace d’une génération, on a amplement le temps nécessaire pour former des enseignants en nombre suffisant. Je me bornerai donc à citer ici Haszpra, étant
temps pour apprendre une langue naturelle » (2003 : 6 ; ma traduction). |
We zullen snel het
opleidingsprobleem van de onderwijskrachten overlopen. Als het scenario uitgedacht werd om in de loop van één generatie uitgewerkt te worden, heeft men meer dan voldoende tijd om de nodige leerkrachten op te leiden. Daarover zal ik slechts Haszpra aanhalen, wetende dat het onderwerp eventueel een veel gedetailleerdere behandeling zou verdienen: “[de Esperantoleerkrachten] kunnen zeer snel gevormd worden vertrekkende van het huidige effectief aan [taal]leerkrachten. De taalleraars hebben een taalleerbekwaamheid boven de gemiddelde en werden reeds gevormd in de methodologie van het taalonderwijs. Voor hen is een cursus Esperanto van 200 uur duidelijk ruimschoots voldoende opdat ze zouden in staat zijn het te onderwijzen [...]. De experimenten, gedaan in Oost-Europa hebben aangetoond dat na de politieke verandering die plaatsvond rond 1990, vele leraars Russisch een andere taal geleerd hebben en na een relatief korte tijdspanne, in staat waren Engels, Duits, of Frans op het vereiste niveau te onderwijzen. Bovendien kan een leraar Esperanto onderwijs verzorgen voor ongeveer tien keer zoveel leerlingen dan in een andere taal, omdat de nodige leertijd tienmaal korter is [men vindt hier dus de ratio 1:10, vermeld in het vorige hoofdstuk-FG]. Men kan hetzelfde zeggen over het Esperanto-onderwijs aan volwassenen, die er de nodige tijd
zouden kunnen aan besteden terwijl ze ternauwernood voldoende tijd
zouden vinden om een natuurlijke taal te leren”) (2003:6; vertaling van
mij). |
|
| Sans même
tabler sur ce fameux rapport de 1 à 10, il est plus que probable que la formation des formateurs ne constitue pas un obstacle au scénario 3. Passons donc aux deux autres conditions, nettement plus difficiles à remplir. |
Zelfs zonder te rekenen met de
aangehaalde verhouding van 1 tot 10, is het meer dan waarschijnlijk dat
de vorming van de leraars geen hinderpaal zou betekenen voor scenario
3. Laat ons dus overgaan naar twee andere, duidelijk moeilijker te
vervullen voorwaarden. |
|
Information et évolution des mentalités |
Informatie en evolutie van de mentaliteit |
|
| La deuxième
condition est que l’on parvienne à surmonter toutes sortes de préventions fort répandues. Ceci exige un très gros effort d’information (au public, aux politiques, aux administrations, aux médias, aux décideurs du secteur privé) et de flexibilité intellectuelle afin de faire évoluer les mentalités (selon toute apparence, chez les mêmes groupes d’acteurs). Sans doute faut-il, pour cela, combattre nombre de préjugés — mais comme le dit Pool : « la langue est un domaine dans lequel tant les spécialistes que les laïcs semblent avoir des croyances extraordinairement obstinées » (Pool, 1991a : 7 ; ma traduction). Peut-être faut-il mettre en évidence les ressorts d’une forme d’aliénation linguistique déjà identifiée, voici fort longtemps, par Gobard (1976). Cela dit, il n’est nul besoin, pour proposer une politique de gestion de la diversité accordant à l’espéranto une place centrale, de se référer à la notion d’impérialisme (comme le fait Bernard Cassen dans le Monde Diplomatique de janvier 2005). Même si l’utilisation de ce concept peut éclairer d’un jour fort intéressant la macro-dynamique des langues et certains de ses rouages institutionnels (comme le montre Phillipson, 1992), elle n’est pas nécessaire, car pour aboutir à recommander le scénario 3, il suffit, comme on vient de le faire, de procéder à quelques estimations des coûts. La prise en compte de l’équité ne peut que renforcer cette conclusion. Cependant, il n’est peut-être pas non plus inutile de réfléchir à la fascination qu’exerce le pouvoir, et de retourner au Discours de la servitude volontaire d’Étienne de La Boétie. |
De tweede voorwaarde is dat men
er toe komt allerlei soorten zeer verspreide vooroordelen te boven te
komen. Dat vraagt een zeer grote informatie-inspanning (naar het
publiek toe, de politiekers, de administraties, de media, de beslissers
van de private sector) en intellectuele flexibiliteit om de mentaliteit
te doen evolueren (naar alle schijn bij dezelfde groepen actoren).
Ongetwijfeld moeten daartoe veel vooroordelen bestreden worden – maar
zoals Pool zegt: “de taal is een terrein waarop zowel specialisten als
leken ongelooflijk vastgeroeste opvattingen hebben” (Pool, 1991a: 7;
vertaling van mij). Misschien moeten de drijfkrachten achter een vorm
van taalaliënatie, reeds lang geleden vastgesteld door Gobard (1976),
vastgesteld worden. Dit gezegd zijnde is het niet nodig, om
beheerspolitiek van diversiteit, die aan Esperanto een centrale plaats
toekent, te verwijzen naar het begrip imperialisme (zoals Bernard
Cassen doen in le Monde Diplomatique van januari 2005). Zelfs als het
gebruik van dit concept de macrodynamiek van de talen en bepaalde van
die institutionele raderwerken kan belichten (zoals Phillipson 1992
aantoont), is het niet nodig, want om te komen tot de aanbeveling van
het derde scenario volstaat het de kosten te berekenen, zoals men
eerder gedaan heeft. De beschouwing over gelijkberechtiging kan dit
besluit slechts bevestigen. Toch is het misschien niet zonder nut na te
denken over de fascinatie, die de macht uitoefent en terug te keren
naar de 'Verhandeling over de vrijwillige Slavernij' door Etienne de La
Boétie (1530-1563). |
|
| Ce travail de fond
sur l’information et sur les mentalités peut naturellement s’appuyer sur les faits et chiffres rapportés dans cette étude et la littérature à laquelle elle se réfère. Il reste cependant un considérable travail d’analyse et de traitement des faits à réaliser. Il n’y a pas lieu de s’attarder ici sur certaines objections classiques déjà amplement réfutées ailleurs (Fettes, 1991 ; Piron, 1994 ; Grin, 2004c)
connaissance, toutefois, on ne dispose pas encore d’un argumentaire par rapport à la question de l’investissement déjà réalisé, non seulement en termes d’apprentissage effectué, mais aussi en termes de documents (en anglais) déjà stockés sous différentes formes. En effet, le contre-argument parfois entendu est celui que tout l’investissement déjà réalisé risquerait d’être perdu. |
Dit basiswerk over de informatie
en de geestestoestanden kan steunen op de feiten of op de cijfers,
waarnaar verwezen wordt in deze studie en op de literatuur waarnaar ze
verwijst. Niettemin is aanzienlijk analysewerk en feitenbehandeling
nodig. We moeten hier niet blijven stilstaan bij bepaalde klassieke
tegenwerpingen, die elders reeds ruim weerlegd werden (Fettes, 1991 ;
Piron, 1994 ; Grin, 2004c); bij mijn weten beschikt men echter nog
altijd niet over een argumentarium betreffende de vraag over de reeds
gerealiseerde investering, niet enkel op gebied van uitgevoerd
aanleren, maar ook op gebied van documenten (in het Engels), reeds
bewaard onder verschillende vormen. In feite luidt het soms
gehoorde tegenargument dat alle reeds gedane investering dreigt
verloren te gaan. |
|
| Il n’est pas
particulièrement difficile de réfuter cette objection, ne serait-ce qu’en recourant à certaines analogies : aurait-on dû, sous prétexte de coût, renoncer à passer au système métrique (comme les États-Unis, qui pratiquent toujours le système de mesure appelé, cela ne s’invente pas, « imperial ») ? Le passage à l’Euro aurait-il dû être refusé en raison des habitudes prises par les consommateurs et les entreprises, ou de l’existence des livres comptables tenus dans les monnaies nationales respectives ? Aurait-on dû renoncer à l’informatique parce que les machines à écrire devenaient inutiles ? De fait, toute innovation, tout changement, suppose des fonds perdus, des sunk costs. Par conséquent, il y aurait lieu, dans l’optique de la mise en oeuvre sur le long terme du scénario 3, de prévoir la traduction de documents d’anglais en espéranto. Ce n’est du reste pas là un besoin qui s’exprimerait à court terme : il ne prendrait de véritable importance qu’à partir du moment où une génération ayant étudié, comme langues étrangères, l’espéranto et une tierce langue qui ne serait pas forcément l’anglais, entrerait sur le marché du travail. De même, il faut prévoir une période de transition pendant laquelle des personnes ayant acquis l’anglais comme première ou deuxième langue étrangère devraient bénéficier d’un soutien particulier pour apprendre l’espéranto. Vu l’accessibilité de cette langue, l’investissement nécessaire à leur permettre de maîtriser l’espéranto au moins au niveau où elles maîtrisent actuellement l’anglais serait modeste. |
Het is niet bijzonder moeilijk
deze tegenwerping te weerleggen, al was het maar door zijn toevlucht te
nemen tot bepaalde analogieën: had men moeten afzien van de overgang
naar het metriek stelsel (zoals de Verenigde Staten, die nog altijd het
zogenaamde “imperiale” systeem gebruiken: zulke naam wordt niet
uitgevonden), onder voorwendsel van kosten? Had de overgang naar de
euro moeten verworpen worden omwille van de bestaande gewoonten van
verbruikers en ondernemingen, of het bestaan van de boekhouding in de
respectievelijke nationale munten? Had men de informatica moeten
verwerpen omdat de schrijfmachines dan zouden overbodig worden?
Inderdaad, elke vernieuwing, elke verandering veronderstelt verloren
investeringen, “sunk costs”. Het zou dus nodig zijn, met het oog op de
realisatie van de langetermijnstrategie, de vertaling te voorzien van
de Engelstalige documenten naar Esperanto. Het is overigens geen nood,
die op korte termijn zou blijken: die zal haar waar belang maar krijgen
op het ogenblik dat één generatie, die Esperanto als vreemde taal
geleerd heeft (en niet verplicht het Engels), op de arbeidmarkt zal
terecht komen. Evenzo zal men een overgangsperiode moeten voorzien,
gedurende dewelke personen, die het Engels als eerste of tweede vreemde
taal geleerd hebben, zou moet genieten van een bijzondere steun om
Esperanto te leren. Als men de leerbaarheid van die taal bekijkt, zou
de investering nodig om Esperanto te beheersen, minstens op het niveau,
waarop ze nu het Engels beheersen, gering zijn. |
|
| Cette
évolution des mentalités n’est pas imaginable si elle ne s’ancre pas dans une compréhension fine des processus de subjectivation individuelle et collective des acteurs, notamment en tant qu’elle se déploie dans les champs de la diversité linguistique sociétale et du multilinguisme individuel. Il est donc indispensable d’entamer une réflexion de fond à ce propos. On peut pour cela partir de la nouvelle théorie des mouvements sociaux développée autour de Touraine et de Wieviorka, et prendre appui sur le concept de « moNdernisation » (Rossiaud, 1997) déjà présenté dans le chapitre premier. Cette réflexion n’a, à ma connaissance, pas encore été menée par rapport au choix sociaux des environnements linguistiques, mais elle reste nécessaire pour que les individus puissent se projeter dans le scénario 3, et que se développent les situations dans lesquelles le principe du maximin joue en faveur de l’espéranto. |
Deze evolutie van de mentaliteit
is ondenkbaar indien ze niet ankert in een subtiel begrip van de
processen van individuele en collectieve subjectivering van de actoren,
ondermeer als het gebeurt op het terrein van de maatschappelijke
diversiteit en de individuele veeltaligheid. Daarom is het nodig daar
grondig te beginnen over nadenken. Men kan daartoe uitgaan van de
nieuwe theorie van de sociale veranderingen, een theorie opgebouwd rond
Touraine en Wieviorkan, en zich te baseren op het concept van de
“moNdernisering” (Roussiaud, 1997) hier al eerder voorgesteld in het
eerste hoofdstuk. Bij mijn weten werd deze bedenking nog niet gemaakt
over de maatschappelijke voorkeuren van de taalmilieus, maar ze is
nodig opdat individuen zich zouden kunnen werpen op scenario 3, en
opdat zich situaties zouden ontwikkelen, waar het principe van maximin
in het voordeel van Esperanto speelt. |
|
Coordination |
Coördinatie |
|
| Le problème
relève aussi, bien entendu, de la coordination au niveau européen, et plus particulièrement entre États membres. Ceux-ci demeurent souverains en matière éducative et sont certainement appelés à le rester longtemps. C’est donc au niveau de la coordination entre États que doit être réglée la question suivante. En l’absence de coordination, tout État est incité à adopter des politiques éducatives dont il espère qu’elles favoriseront la réussite économique de leurs citoyens, voire lui donneront un avantage concurrentiel sur le vaste marché du travail européen. Dès lors, si un pays se lançait seul dans le scénario 3, et même si l’opinion était largement acquise à une telle entreprise, les résultats seraient catastrophiques pour lui : ils reviendraient à isoler le pays et ses résidents du reste de l’Europe, et supposerait l’investissement dans des compétences linguistiques sans aucune valeur marchande. Les ressortissants d’autres États qui continueraient à enseigner prioritairement l’anglais verraient, toutes autres choses égales par ailleurs, la rentabilité de leur compétences en anglais augmenter. On a vu dans la section 3.4 que cet avantage est peut-être voué à l’érosion, mais nul ne s’en inquiète encore ; à court terme en tout cas, l’adoption du scénario 3 par un État isolé inciterait tous les autres à continuer à enseigner l’anglais. |
Het probleem hangt ook af van de
coördinatie op Europees niveau en meer speciaal tussen de lidstaten. Ze
blijven soeverein op gebied van opleiding en dat zal in lange tijd niet
veranderen. Het is dus op het niveau van de coördinatie tussen de
staten dat het volgende probleem moet opgelost worden. Bij ontstentenis
van coördinatie tussen de staten, heeft elke staat de neiging
opleidingspolitieken aan te nemen, die hopelijk het economisch succes
van hun burgers zullen bevorderen, en misschien concurrentievoordeel
zullen bieden op de ruime Europese markt. Bijgevolg, indien een staat
zich op zijn eentje zou wagen in het derde scenario, zouden de
resultaten voor die staat catastrofaal kunnen zijn; het gevolg zou
isolatie van dat land en zijn inwoners betekenen tegenover de rest van
Europa, en dat zou een waardeloze investering zijn in taalbekwaamheden
zonder enige commerciële waarde. De burgers van andere staten, die bij
voorrang Engels zouden onderwijzen, zouden, als al het overige gelijk
blijft, het rendement van hun bekwaamheden in het Engels zien groeien.
Men zag in paragraaf 3.4, dat dit voordeel misschien veroordeeld is tot
afbrokkeling, maar nog niemand wordt daardoor verontrust; in ieder
geval binnen korte termijn zou het aannemen van het derde scenario door
een enkele staat alleen alle anderen aanzetten voort te doen met het
onderwijs van het Engels. |
|
| Par contre, tout
change si les États entament une réflexion conjointe sur leur intérêt commun, et si la plupart des pays adoptent ensemble le scénario 3. En l’espace d’une génération, des transferts injustes de milliards d’Euros peuvent être éliminés, et à l’échelle de l’Union Européenne, une économie nette de l’ordre de 25 milliards d’Euros annuellement peut être réalisée.81 À titre de comparaison, l’intégralité des dépenses budgétées pour 2005 par l’Union Européenne est de 116,55 milliards d’Euros.82 |
Integendeel verandert alles als
de staten beginnen na te denken over een gezamenlijke inspanning in hun
gemeenschappelijk belang, en als de meerderheid van de landen samen het
derde scenario aannemen. Binnen de duur van één generatie kunnen
onrechtvaardige overdrachten van miljarden euro uitgeschakeld worden en
is een netto besparing van onderveel 25 miljard euro per jaar mogelijk
voor de gehele Europese Unie. Ter vergelijking, het totaal van de
budgettaire uitgaven voor 2005 door de Europese Unie bedraagt 116,55
miljard Euro. |
|
| On voit mal au nom
de quelle logique 23 des 25 États membres devraient continuer à accorder aux deux autres un cadeau qui leur coûte, rien qu’au niveau du système éducatif, la bagatelle de 26,7 milliards d’Euros chaque année, d’autant plus que cet effort massif laisse la majorité des citoyens européens en situation d’infériorité. Devant un intérêt si évidemment convergent, et qui plus est parfaitement compatible avec les exigences de la justice sociale, la sagesse devrait donc amener les États à s’entendre pour une mise en place progressive et coordonnée du scénario 3. |
Men verstaat moeilijk de logica
waarom 23 van de 25 lidstaten aan de twee andere een geschenk zouden
moeten geven, dat hun jaarlijks, alleen al op het niveau van het
opleidingssysteem, de “kleinigheid” van 26,7 miljard euro per jaar
kost, te meer daar deze massale investering de meerderheid van de
Europese burgers in een toestand van ondergeschiktheid brengt. Omwille
van zulk een evident gemeenschappelijk belang, en dat perfect samenvalt
met de vereiste rechtvaardigheid, zou de wijsheid er de staten moeten
toe brengen in te stemmen met een progressieve en gecoördineerde
uitvoering van scenario 3. |
|
| Naturellement, cette
coordination entre États ne doit pas porter que sur la politique éducative ; elle doit aussi se préoccuper de la deuxième condition, c’est-à-dire la diffusion d’information et l’évolution des mentalités. |
Natuurlijk moet die coördinatie
tussen staten niet enkel de opleidingspolitiek op het oog hebben; ze
moet ook zorgen voor de informatieverspreiding en de evolutie van de
mentaliteit. |
|
7.2 Stratégie de court terme |
7.2 Kortetermijnstrategie |
|
| À court
terme, cependant, il est exclu de proposer le scénario 3 ; qui plus est, la simple annonce publique qu’un tel scénario devrait être sérieusement envisagé à horizon de vingt ou vingt-cinq ans serait ridiculisé par de larges segments de l’opinion, tant est grande l’emprise de la croyance qu’il n’existe aucune alternative à l’hégémonie de l’anglais. Tout le monde a oublié que de nombreux États appuyaient, à l’époque de la SDN, l’adoption de l’espéranto comme langue internationale ou que les assemblées plénières de UNESCO ont adopté, en 1954 et en 1985, des résolutions favorables à l’espéranto. |
Op korte termijn is scenario 3
niet te voorzien; bovendien zou de eenvoudige aankondiging, dat dit
scenario zou moeten overwogen worden op termijn van 20 of 25 jaar,
belachelijk gemaakt worden door een ruim deel van de openbare mening,
zo groot is het geloof dat er geen enkel alternatief bestaat voor de
hegemonie van het Engels. Iedereen heeft vergeten dat veel staten ten
tijde van de Volkenbond de aanname van Esperanto als internationale
taal steunden, of dat de plenaire zitting van UNESCO in 1954 en in 1985
resoluties ten gunste van Esperanto aangenomen heeft. |
|
| Si le
scénario 3 est inapplicable à court terme, il serait dangereux de se rabattre sur le scénario 1, en raison de la difficulté de plus en plus grande qu’il y aurait à faire machine arrière ; de fait, de nombreux observateurs, à commencer par van Parijs (2001b, 2004a, 2004b) estiment que le processus engagé en faveur de l’anglais est de toute façon irréversible. C’est là une raison de plus pour soutenir, à court, voire à moyen terme, le scénario 2, c’est-à-dire celui du plurilinguisme. Les déclarations d’intention des institutions européennes vont du reste toutes dans ce sens ; il est donc nécessaire de leur donner une réelle substance. |
Indien scenario 3 niet
onmiddellijk uitvoerbaar is, zou het nochtans gevaarlijk zijn zich
tevreden te stellen met scenario 1 of 2, wegens de groeiende
moeilijkheid de beweging om te buigen; inderdaad zijn veel waarnemers,
waaronder van Parijs (2001b, 2004a, 2004b) van mening dat het proces
ten voordele van het Engels al niet meer omkeerbaar is. Dat is een
motivering te meer om op korte of middellange termijn scenario 2 te
steunen, dat van meertaligheid. Alle intentieverklaringen van de
Europese instellingen gaan in die richting; het is dus nodig ze te
staven door feiten. |
|
| Ceci exige d’aller
bien au-delà du Plan d’Action (Commission européenne, 2004). |
Dit vereist veel meer dan wat
het Actieplan (Europese Commissie, 2004) voorstelt. |
|
| L’aspect «
enseignement des langues étrangères » n’en est que la partie la plus évidente, et c’est pourquoi il n’en sera même pas question ici. Le plus important, pour que l’enseignement de langues autres que l’anglais ne soit pas un simple alibi et que les compétences dans d’autres langues soient dûment valorisées, est de créer, autant que possible, les contextes institutionnels dans lesquels des langues autres que l’anglais soient l’aboutissement du processus de maximin. En effet, il est primordial de comprendre que le seul apprentissage de plusieurs langues par les citoyens européens ne suffit pas à garantir à moyen et long terme une interaction réellement plurilingue ou, partant, la diversité de la communication linguistique en Europe. De telles mesures d’accompagnement sont donc indispensables. |
Het aspect “onderwijs van
vreemde talen” is er maar het meest evidente deel van, en daarom zal
het er hier niet verder over gaan. Het belangrijkste, opdat het
onderwijs van andere talen dan het Engels geen simpel voorwendsel zou
zijn, en dat de bekwaamheden in andere talen zouden deftig gewaardeerd
worden, is dat er institutionele contexten opgesteld worden, waarin
andere talen dan het Engels de eindbestemming van het maximin proces
zouden zijn. Inderdaad is het essentieel te begrijpen dat enkel maar
meerdere talen leren door de Europese burgers, niet voldoende is om op
middellange of lange termijn, een echte meertalige wisselwerking, en
dus de diversiteit van de taalcommunicatie in Europa te garanderen.
Bijgevolg zijn die begeleidende maatregelen absoluut nodig. |
|
| Il n’est pas
possible ici de définir l’ensemble des mesures qui pourraient être prises dans ce sens, car elles doivent s’inscrire dans le cadre d’une politique linguistique structurée cohérente. On peut cependant faire l’hypothèse que ces mesures devraient notamment impliquer : |
Het is niet mogelijk hier alle
maatregelen te bepalen, die voor dat doel zouden moeten aangenomen
worden, omdat ze moeten passen in het kader van een gestructureerde
samenhangende taalpolitiek. Men kan nochtans de hypothese maken
dat deze maatregelen ondermeer zouden moeten omvatten: |
|
| 1) la défense
générale du plurilinguisme dans toutes les institutions européennes et dans un maximum de situations ; |
1) de algemene verdediging van
de meertaligheid in alle Europese instellingen, en in een maximaal
aantal situaties; |
|
| 2) l’exigence, pour
les employés de ces institutions, notamment à partir d’un certain niveau hiérarchique, d’un trilinguisme démontré, tandis que le bilinguisme ne devrait donner droit à aucune prime ou à aucun avantage particulier ; |
2) de eis voor de bedienden in
deze instellingen, vooral vanaf een bepaald hiërarchisch niveau, van
bewezen drietaligheid, terwijl tweetaligheid geen enkele premie of enig
bijzonder voordeel mag geven; |
|
| 3) l’interdiction de
toute dérive dans la politique du personnel des institutions européennes, en particulier des offres d’emplois exigeant l’anglais comme langue maternelle ; |
3) het verbod op gelijk welke
afwijking in de personeelspolitiek van de Europese instellingen,
bijzonder van de plaatsaanbiedingen, die Engels als moedertaal eisen; |
|
| 4) la
définition, dans le cadre du fonctionnement de ces institutions, de contextes qui excluent les langues les plus dominantes, à commencer par l’anglais mais parfois aussi le français et l’allemand. Ceci peut supposer le recours au système de rotation sud-africain, ou la définition, pour différentes directions générales de la Commission européenne, de modalités de communication interne à trois langues, en s’assurant qu’aucune des trois n’est présente en toute circonstance : en d’autres termes, il faut que les locuteurs natifs des langues privilégiées, et surtout de la plus privilégiée de toutes, l’anglais, soient confrontés à des situations où ils doivent utiliser d’autres langues, tandis que les personnes qui ne sont pas de langue maternelle anglaise, française ou allemande soient confrontés à des situations où il n’est pas possible de se contenter de recourir toujours à la même langue de la troïka. Ceci se traduirait par la définition d’un ensemble de N « régimes linguistiques ». Ce type d’arrangement peu surprendre. Toutefois, le lecteur peut aisément vérifier qu’en l’absence de telles mesures, il n’y aurait pas grand-chose pour empêcher que la mise en oeuvre, parfaitement naturelle, du principe du maximin conduise à l’hégémonie linguistique bien évidemment, en faveur de l’anglais ; |
4) de bepaling, in het kader van
de werking van deze instellingen, van terreinen, waarop het gebruik van
de meest dominante talen uitgesloten wordt, te beginnen met het Engels,
maar soms ook van het Frans of Duits. Dit kan het gebruik van het
Zuid-Afrikaanse rotatiesysteem veronderstellen, of de bepaling voor
verschillende algemene directies van de Europese Commissie, van interne
communicatie in drie talen, waardoor verzekerd wordt dat geen van de
drie er telkens in alle omstandigheden bij is; met andere woorden, de
geboren sprekers van de geprivilegieerde talen en vooral de meest
geprivilegieerde van alle, het Engels, moeten geconfronteerd worden met
toestanden waarin ze andere talen moeten gebruiken, terwijl de personen
die als moedertaal het Engels, het Frans of het Duits hebben,
geconfronteerd worden met situaties, waarin het niet mogelijk is zich
tevreden te stellen met altijd zijn toevlucht te nemen tot dezelfde
taal van het drietal. Dit zou zich vertalen door de definitie van N
“taalregimes”. Deze soort regeling kan verrassend zijn. Nochtans kan de
lezer gemakkelijk vaststellen dat, bij ontstentenis van dergelijke
maatregelen, er niet veel zou zijn om te beletten dat de zeer
natuurlijke uitwerking van het principe van maximin zou leiden tot
taalhegemonie natuurlijk ten voordele van het Engels; |
|
| 5) la diffusion d’information et
la sensibilisation du public et des médias au problème de la justice linguistique, afin de faire comprendre la nécessité de telles interventions ; |
5) de informatieverspreiding
over en de sensibilisatie voor taalrechtvaardigheid, teneinde de
noodzakelijkheid van dergelijke ingrepen te doen inzien; |
|
| 6) l’encouragement
des échanges internationaux
d’écoliers et
d’étudiants, non pas
de façon indistincte (ce qui se traduit en général
par une avancée de
l’anglais —
comme l’écrit De Swaan (2002) : « the more languages, the
more English
»),
mais de façon ciblée, en direction de langues autres que
l’anglais et,
autant que
possible, dans le cadre de partenariats entre États membres ; |
6) de aanmoediging van
internationale uitwisselingen van scholieren en studenten, niet op
ononderscheiden manier (wat zich in het algemeen vertaalt door een
vooruitschuiven van het Engels – zoals De Swaan schrijft (2002): « the
more languages, the more English »), (hoe meer talen des te meer
Engels), maar meer gericht naar talen buiten het Engels, en zoveel
mogelijk in het kader van de gezamenlijke actie tussen de lidstaten; |
|
| 7) une fermeté absolue des États
en matière de préséance de leur droit à prendre des dispositions concernant la langue de l’étiquetage des produits, dispositions qui doivent primer juridiquement sur le principe de la libre circulation des biens et services entre les États membres ; |
7) een absolute vastberadenheid
van de staten op gebied van hun opperste recht maatregelen te nemen
betreffende de taal voor de etikettering van producten, maatregels die
juridisch voorrang moeten hebben op het principe van de vrije
circulatie van goederen en diensten tussen de lidstaten; |
|
| 8) l’encouragement à la
visibilisation de toutes langues européennes sur pied d’égalité, dans la communication écrite et orale des administrations et des entreprises ; |
8) de aanmoediging van de
visualisatie van alle Europese talen op voet van gelijkheid, in de
geschreven en mondelinge communicatie van de administraties en de
ondernemingen; |
|
| 9) le maintien de services de
traduction et d’interprétation performants, car même sous l’hypothèse d’une priorité générale accordée à trois langues (par exemple, l’anglais, l’allemand et le français), l’intercompréhension intégrale n’est pas systématiquement garantie, et doit être complétée par une offre très large de traduction et d’interprétation, au moins entre les langues bénéficiant de cette priorité ; ceci renvoie au système dit « oligarchique » dans l’annexe 2. |
9) het instandhouden van de
efficiënte vertaal- en tolkdiensten, want zelfs in de veronderstelling
van een algemene voorrang, toegekend aan drie talen (bijvoorbeeld het
Engels, het Duits en het Frans), is de onderlinge verstaanbaarheid niet
systematisch gegarandeerd, en moet aangevuld worden door een zeer ruim
aanbod van vertaling en vertolking, ten minste tussen de talen, die van
dit voordeel genieten; dit verwijst naar het systeem genaamd
“oligarchie” in bijlage 2. |
|
| Le scénario 2
ne dispense nullement, bien au contraire, d’entreprendre un effort de coordination entre États membres, ainsi qu’une analyse de fond sur le sens et les fonctions identitaires du multilinguisme individuel dans le quotidien et les projets des individus. |
Scenario 2 ontslaat er niet van,
integendeel, een inspanning van coördinatie tussen lidstaten te doen,
evenals een grondige analyse over de zin en de werking van de
identificerende functies van de individuele veeltaligheid in het
dagelijkse leven, en van de plannen van de individuen. |
|
| Si l’adoption de
telles mesures, dans le cadre du scénario 2, parvient à stabiliser un environnement linguistique européen réellement plurilingue, il peut être conservé à long terme, et le scénario 3 n’est alors plus à considérer comme une nécessité. Sans doute le scénario 2 est-il plus coûteux, que ce soit en termes éducatifs ou en termes de mesures d’accompagnement, qui ne se limitent pas à l’offre de traduction et d’interprétation. En revanche, il est beaucoup moins inéquitable que le scénario 1, et c’est lui qui garantit, plus que les deux autres scénarios, un contact fréquent avec la diversité. Dès lors, le rapport entre ses bénéfices et ses coûts peut être considéré comme tout à fait raisonnable. Il ne faut cependant pas perdre de vue le fait qu’en tant que scénario, le plurilinguisme peut être relativement fragile, et l’environnement linguistique s’avérer instable ; le mise en oeuvre des mesures d’accompagnement du type de celles qui sont énumérées ci-dessus exige par conséquent une grande vigilance. Pour le même type de raisons, il peut être tout à fait justifié, dans un approfondissement ultérieur de ce type d’analyse, d’examiner les possibilités de combinaison entre les scénarios 2 et 3. |
Indien het aannemen van
dergelijke maatregelen in het kader van scenario 2 er toe komt een echt
meertalig Europees taalmilieu te stabiliseren zou het gedurende lange
tijd kunnen bewaard worden en scenario 3 is dan niet meer als een
noodzaak te zien. Ongetwijfeld is scenario 2 duurder, of het over nu
gaat over educatieve of over begeleidende maatregelen. Anderzijds is
het veel minder onrechtvaardig dan scenario 1, en het is het dat, wat
meer dan de twee andere scenario’s, een veelvuldig contact met de
diversiteit garandeert. Dus kan de verhouding tussen zijn voordelen en
zijn kosten beschouwd worden als redelijk. Men moet echter niet uit het
oog verliezen, dat de meertaligheid als scenario relatief fragiel kan
zijn en dat het taalmilieu onstabiel kan blijken; de uitwerking van de
begeleidende maatregelen van de soort, die hierboven opgesomd werden,
vereist dus een grote waakzaamheid. Om gelijkaardige redenen kan het
volstrekt gerechtvaardigd zijn in een latere uitdieping van zulke
analyse, de combinatiemogelijkheden te onderzoeken tussen scenario’s 2
en 3. |
|
7.3 Conclusion générale |
7.3 Algemeen besluit |
|
| Le constat final
peut sembler amer. La politique que recommandait le Rapport de la Commission du débat national sur l’avenir de l’École’ est assurément la plus simple ; on a toutefois pu voir, au fil de la présente étude, que d’un point de vue de politique publique, c’est peut-être la plus mauvaise des solutions. Ce n’est pas, et de très loin, la meilleur marché ; c’est par ailleurs la plus inéquitable ; et elle condamne le français, et avec lui toutes les langues d’Europe sauf l’anglais, à la provincialisation. Certains parleraient même d’inféodation, avec toutes les conséquences géopolitiques et culturelles incalculables que cela comporte. |
De uiteindelijke vaststelling
kan bitter lijken. De politiek die het ‘Rapport van de Commissie van
het nationale debat over de toekomst van de School’ is zeker de
eenvoudigste; men heeft in ieder geval gedurende de huidige studie
kunnen zien dat uit het oogpunt van een publieke politiek, het wellicht
de slechtste oplossing is. Het is niet, op verre na niet, de
goedkoopste oplossing; het is overigens de onrechtvaardigste; en ze
veroordeelt het Frans en daarmee alle Europese talen buiten het Engels,
tot achteruitstelling. Sommigen zouden zelfs spreken over vazalliteit,
met alle onberekenbare geopolitieke en culturele gevolgen die
zulks meebrengt. |
|
| Si une solution
aussi peu attrayante est souvent recommandée, c’est sans doute parce qu’elle résulte d’une analyse effectuée à l’intérieur d’un cadre trop restreint. Étant donné qu’en l’absence de coordination, il existe une forte incitation à converger vers l’anglais, il est effectivement tout à fait logique de recommander qu’on l’enseigne et qu’on l’apprenne. Mais cela revient à ignorer toute la dynamique des langues. Celle-ci doit être prise en compte autant pour l’analyse que pour la formulation de recommandations. Le caractère très particulier de la langue, qui en tant qu’outil de communication donne naissance à des réseaux, mais qui est aussi un élément crucial de l’identité individuelle et collective, interdit les solutions simplistes. Il n’est guère surprenant, somme toute, que le fait de ne pas tenir compte (ou pas assez) de cette complexité puisse conduire à des choix inefficaces en termes d’allocation des ressources, injustes en termes de distribution des ressources, dangereux pour la diversité linguistique et culturelle, et très préoccupants en termes géopolitiques, tout en ayant l’apparence trompeuse de l’évidence. |
Als een zo weinig aantrekkelijke
oplossing toch vaak aanbevolen wordt is dat ongetwijfeld omdat ze
voortkomt uit een analyse, uitgevoerd binnen een te beperkt kader.
Gegeven dat in afwezigheid van coördinatie, er een sterke aansporing
bestaat naar het Engels toe te convergeren, is het werkelijk helemaal
logisch dat men het onderwijst en leert. Maar dat komt neer op het
ontkennen van elke taaldynamica. Deze moet in rekening gebracht worden
zowel voor de analyse als voor de formulering van de aanbevelingen. Het
zeer bijzondere karakter van de taal, die als communicatiemiddel netten
schept, maar die ook een cruciaal element is van individuele en
collectieve identiteit, laat geen simplistische oplossingen toe. Het is
dus tenslotte niet verrassend dat het feit, geen(of onvoldoende)
rekening te houden met deze complexiteit kan leiden tot ondoeltreffende
keuzen in termen van toekenning van de middelen, onrechtvaardig in
termen van verdeling van de middelen, gevaarlijk voor de diversiteit
van taal en cultuur, en zeer zorgwekkend in geopolitieke termen, onder
een valse schijn van evidentie. |
|
| Il est donc
nécessaire, pour sortir de l’impasse, d’élargir le cadre de la réflexion et de repenser la question de l’enseignement des langues étrangères avec une logique plus vaste, dans laquelle un plus grand nombre de paramètres puissent être réexaminés. L’une des conséquences les plus importantes d’un tel élargissement est qu’il replace la possibilité d’une coordination entre États au centre de l’élaboration des stratégies. Dès que le cadre est ainsi élargi, le problème change du tout au tout : s’il n’est pas facile, il devient soluble – pour le plus grand bénéfice du contribuable, de la justice sociale, et de la diversité des langues et des cultures. |
Om uit het slop te geraken is
het dus nodig het denkkader te verruimen en de vraag over het onderwijs
van vreemde talen te herdenken in een ruimere logica, waarin een groter
aantal parameters opnieuw kan onderzocht worden. Een van de
belangrijkste gevolgen van een dergelijke verruiming is dat het de
mogelijkheid van een coördinatie tussen staten in het midden plaatst
van de uitwerking van strategieën. Zodra het kader zo verruimd is,
verandert het probleem helemaal: al is het niet gemakkelijk, het wordt
oplosbaar – tot grootste winst voor de belastingbetaler, voor de
sociale rechtvaardigheid en voor de diversiteit van talen en culturen. |
|
|
|
|
|
| 80 Peut-être
selon la même logique que les concordats intercantonaux qui règlent, en Suisse, certains aspects de la politique éducative. |
80 misschien volgens dezelfde
logica als de interkantonnale concordaten die in Zwitserland bepaalde
aspecten van de opleidingspolitiek regelen. |
|
| 81 Ce montant est
obtenu comme suit, en extrapolant à partir de la dépense annuelle par habitant en France, qui se monte actuellement à € 137. On a vu que l’adoption du scénario 3 permet de diviser ce chiffre par deux et de le ramener à € 68.50, arrondi ici à 68. Ce chiffre (qui financerait, avec les dotations horaires actuelles en France, l’apprentissage de deux langues étrangères) vaut, par extrapolation, pour les 86% de la population de l’Europe des 25 vivant dans un pays dont la langue principale n’est pas l’anglais (cf. Annexe A1). En revanche, le système scolaire qui sert les 14% de la population européenne vivant dans l’un de ces deux pays devraient apprendre l’espéranto. Supposons que le Royaume-Uni et l’Irlande s’alignent également sur un système scolaire avec deux langues étrangères (espéranto plus une langue tierce) ; par rapport à la dépense par habitant actuelle au Royaume-Uni (dont on supposera ici qu’elle vaut aussi pour la République d’Irlande), qui se monte à € 36 par habitant et par an, ceci suppose une augmentation de € 32. Étant donné une population résidente totale dans l’Europe des 25 de 457 millions, on calcule : 457 x [(68 x 0,86) – (32 x 0,14)] = 457 x 54 = € 24,678 md. À noter que l’on ne dispose pas de données sur le pourcentage de personnes qui, dans l’Europe des 25, ont l’anglais comme langue maternelle (indépendamment du pays de résidence). Pour l’Europe des 15, l’enquête Eurobaromètre n° 54 indique un chiffre de 17,2%. |
81. Dit bedrag wordt als volgt
bekomen, door extrapolatie vertrekkende van de jaarlijks uitgave per
inwoner van Frankrijk, die tegenwoordig € 137 bedraagt. Men heeft
gezien dat het aannemen van scenario 3 toelaat dit cijfer door twee te
delen te reduceren tot € 68,50, hier afgerond op 68. Dit cijfer (dat
met de huidige uurtoelage in Frankrijk, het leren van twee vreemde
talen zou toelaten) geldt voor 86% van de bevolking van het Europa der
25, die leeft in een land waarvan de hoofdtaal niet het Engels is (zie
Bijlage A1). Anderzijds zou het onderwijssysteem dat de 14% van de
Europese bevolking bedient, die leeft in een van deze twee landen,
Esperanto moeten leren. Laat ons veronderstellen dat het Verenigd
Koninkrijk en Ierland zich ook scharen achter het onderwijssysteem met
twee vreemde talen (Esperanto en een andere taal); vergeleken met de
huidige uitgave per inwoner in het Verenigd Koninkrijk (waarvan men
hier zal veronderstellen dat ze ook geldt voor de Ierse Republiek), die
oploopt tot € 36 per jaar en per inwoner, veronderstelt dat een
verhoging met € 32. Gegeven een totale bevolking van het Europa der 25
van 457 miljoen, berekent men: 457 x [(68 x 0,86) – (32 x 0,14)] = 457
x 54 = € 24,678 miljard. Noteer dat men niet beschikt over gegevens op
het percentage van de personen, die in het Europa der 25 Engels als
moedertaal hebben (onafhankelijk van het land van verblijf). Voor het
Europa der 15 gaf het onderzoek Eurobarometer n° 54 een cijfer van
17,2% op. |
|
| 82 Source : http://www.info-europe.fr/document.dir/fich.dir/QR001028.htm . | 82 Bron :
http://www.info-europe.fr/document.dir/fich.dir/QR001028.htm . |
|
| 83 Ce montant est obtenu comme suit : 0,86 x 457 x 68 = € 26,725 md. | 83 Dit bedrag wordt als volgt
bekomen : 0,86 x 457 x 68 = € 26,725 miljard. |
|
| 84 Le dossier avait
à l’époque (septembre 1922) été bloqué par la France. Léon Béard, alors Ministre de l’éducation nationale, avait même fait « interdire dans toutes les écoles françaises l’enseignement et la propagande pour l’espéranto, comme vecteur dangereux d’internationalisme et comme concurrent au rôle de la langue française dans le monde » (Ministero della Pubblica Istruzione [Italie], 1995). |
84. Het dossier werd in die tijd
(september 1922) geblokkeerd door Frankrijk. Léon Béard, toenmalig
minister van nationale opleiding, had zelfs doen “in alle Franse
scholen het onderwijs en de propaganda voor Esperanto verbieden, als
gevaarlijke drager van internationalisme en als concurrent van de rol
van de Franse taal in de wereld” (Ministero della Pubblica Istruzione
[Italie], 1995). |
|
| 85 Voir English
mother tongue only… 1000 European jobs for English native speakers, http://lingvo.org/zz/2/15 . Cette pratique a pris fin après de nombreuses protestations, y compris au Parlement européen (voir la question écrite E-4100/00 du parlementaire Bart Staes, 10 janvier 2001). |
85 Zie English mother tongue
only… 1000 European jobs for English native speakers,
http://lingvo.org/zz/2/15 . Aan deze praktijk kwam een einde na
talrijke protesten, inbegrepen in het Europese Parlement (die de
schriftelijke vraag E-4100/00 van parlementslid Bart Staes, 10 januari
2001). |
